Uiteraard doen we in Kanazawa ook nog iets meer dat enkel eten, al zou je het niet zeggen na het lezen van de vorige blog. We verkennen de oude delen van de stad, met de grootst mogelijke precisie de diverse regenbuien omzeilend.
De mooiste en meest geheimzinnige van de drie geishadistricten vonden wij Kazue-machi. Het is een klein labyrint van steegjes met zo’n twintig huishoudens, dicht opeengepakt tussen bars en restaurants. Overigens bijna allemaal gesloten voor Gaijins.

We zijn er ‘s avonds en er is vrijwel niemand op straat. Misschien komt het door het ‘potze potze’ weer. Volgens Paulien Cornelisse is dat de Japanese onomatopee voor miezerregen. De stenen glimmen van die zojuist gevallen potze potze en dat is een mooie combi met het licht van de oude lantaarns. Deze wijk was het decor was voor verboden romantiek in de roman Asanogawa Boshoku (“Asano River Dusk” – 1978 – Hiroyuki Itsuki) en ik kan me er van alles bij voorstellen.

Er wordt een groepje mannen met een van de vele oude taxi’s afgezet. Althans, die Toyota’s lijken oud maar zijn het waarschijnlijk niet. De heren dragen allemaal het traditionele zwarte pak met wit overhemd, het zijn de zogeheten salary men die nog wat willen drinken. Voelt alsof ze een geheime bar in gaan. De geisha’s of maiko (geisha in opleiding) zullen er niet zijn lijkt me.
persoon van de kunsten
Geisha’s… voelt een beetje als Pokémon Go, het lijkt een soort jacht om er een te zien. Soort popster of filmactrice die zich niet meer in het openbaar kan verschijnen. Triest maar waar.
Het woord geisha is opgemaakt uit twee kanji karakters; “gei” (芸), wat kunst en entertainment betekent, and “sha” (者), wat persoon betekent. Kortom, ‘persoon van de kunsten’. Uitspraak geesja. Heel Nederland spreekt het dus verkeerd uit. Er schijnen nog zo’n 50 dames in Kanazawa te zijn die de felbegeerde titel Geisha behaald hebben. Gelukkig gaat het er tegenwoordig iets anders aan toe dan zeg maar voor WO II. Toen begon de opleiding veelal voordat de meisjes 10 jaar oud (jong) waren. Ik weet eigenlijk niet in hoeverre er aan geschiedsvervalsing wordt gedaan in de film of het boek ‘Memoirs of a Geisha’ maar nu beginnen de meesten wanneer ze rond de twintig zijn en middelbare school of universiteit hebben afgerond. De geisha’s die op privé feesten, thee ceremonies en andere (exclusieve) evenementen aanwezig zijn staan het hoogst in aanzien en hun diensten zijn nog steeds exclusief en kostbaar.
Gelukkig is ook de ‘mizuage’ – het ‘verkopen’ van de maagdelijkheid – sinds 1959 verboden. Al las ik wel ergens dat er tot aan 2001 nog meldingen binnenkwamen dat dit nog steeds op kleine schaal gebeurde. Echter, een Geisha is géén Oiran (= prostituee, of eigenlijk meer een courtisane), ondanks het veel voorkomende vooroordeel. Dus ook geen feestjes of massages met happy endings. Blijkbaar kunnen kenners het verschil zien, de een heeft een meer ingetogen make-up en kleding dan de ander. Voor buitenstaanders is er echter nog een duidelijker verschil, namelijk de wijze hoe de obi (de band om de middel) gedragen wordt. Zit de strik aan de voorkant dan is ze ofwel een Oiran, ofwel een toerist die verkeerd verkleed is. Waarschijnlijk omdat ze de strik dan makkelijker los en vast kunnen maken. In beide gevallen…
Wat ik wel interessant vind is het feit dat een Oiran wel degelijk in hoog aanzien stond, wellicht zoals de courtisanes aan de westerse hoven? Prostitutie was in die dagen in Japan niet de verwerpelijke zonde in verborgen achterkamertjes, zoals we min of meer in de christelijke wereld geleerd hebben. Het huwelijk was om kinderen te maken: dat mannen elders seksueel plezier zochten, was maatschappelijk geaccepteerd en zelfs onderdeel van het culturele leven. Uiteraard was dit andersom niet het geval, aan de rolverdeling werd niet getornd, nu nog steeds niet. Door deze status van de Oiran werd ook hun make-up, haarstijl en kleding hoog aangeslagen, ze waren een soort mode-influencers avant la lettre. In het voorjaar was er een mooie tentoonstelling in het Japanmuseum Sieboldhuis te Leiden over de kunst van de ‘vlietende wereld’. Mooi vind ik dat, vlietend. Het vergankelijke, vluchtige karakter van de werkelijkheid. In het japans heten deze houtsnedes ukiyo-e. De Oirans werden er mooi op afgebeeld en deze prents werden schijnbaar ook door niet-bordeelbezoekers gretig gekocht om op de hoogte te blijven van de ‘laatste’ mode trends. Dat laatste zet ik bewust tussen aanhalingstekens. Toen nog geen Ukiyo-e Search. Daarnaast waren de trends rondom 1800 vast en zeker minder vluchtig, zelfs in de wereld van vluchtig genot.

Enfin, Kanazawa – november 2023. Geen geisha gezien, geen oiran gezien en geen verklede toerist gezien. Wel naar het kleine museum geweest in het Nishi Chaya Gai district. De benaming district is overigens wat genereus voor slechts één straat. Naast het mini museum staat een Europees aandoend blauw gebouw, het blijkt een trainingshal voor geisha’s te zijn. Er komen geluiden van muziek door de zijstraat. Dat geluid verbindt voor mij opeens het heden met het verleden, maakt het geheel iets realistischer en van deze tijd.

Naast de drie geisha / theehuis districten verdiepen we ons ook een beetje in de samoerai historie. Het Nagamachi district leent zich er goed voor met de diverse mini museums in de oude huizen die nu opengesteld zijn. Van de voetsoldaten tot de hogere rangen en standen. Joris heeft het idee om een samoerai zwaard aan te schaffen, ik hou het bij bamboe penselen. Ook handiger bij de douane.
van historie naar moderne kunst

In het 21st Century Museum of Contemporary Art wordt er weinig gebruik van bamboe penselen, des te meer van installaties, licht en geluid. De architectuur is mooi, grote glazen wanden en ronde vormen zorgen voor een verbinding met de buitenwereld en de kunst aldaar. De tentoonstellingen binnen zijn divers. De intrigerende computer graphics van Ryoji Ikeda (data.gram no 6 – net geopend) zijn mijn favoriet. En natuurlijk ‘the man who measures the clouds’ van Jan Fabre. Deze staat op het dak van het museum. Passende plaats. Ook Anish Kapoor met zijn grote zwarte ovalen heeft een vaste ruimte. Mooi. De grote trekpleister is het ‘schijn’zwembad van de Argentijn Leandro. Maar aangezien we in Nederland het mooie Voorlinden nabij hebben is het dubbele glas met water voor ons bekend terrein.

Een heel ander museum is het Tanimura Art Museum in het kustplaatsje Itoigawa. Aan de rand van het dorp heeft de architect Tōgo Murano een museum ontworpen om acht boeddhistische beelden zo mooi mogelijk te laten uitkomen. Wellicht oneerbiedig maar ik omschrijf het als een soort bovengrondse grot (wat per definitie al niet kan) met natuurlijk en kunstmatig licht inval. De tijd van de dag, het weer en de seizoenen spelen hun rol in de belichting. Ik vind het mooi en probeer de rust te vinden waar het museum voor gemaakt is. Dat laatste lukt me nog niet helemaal.
De dames bij de kassa waren overigens oprecht verbaasd toen we aan kwamen lopen. Hoe we ervan gehoord hadden en hoe we er gekomen waren? Tja, internet en voorbereidend werk, dat tezamen met een trein en een half uur lopen door het vrijwel verlaten dorp en de rijstvelden. Veel spannender kunnen we het niet maken.

Gelukkig blijkt er in Itoigawa ‘s middags toch nog iets open te zijn voor een verlate lunch want het blikje met warme coffee latte uit een van de vele vending machines is echt niet te drinken. Die lichtgevende machines staan echt overal en verkopen de meest bizarre artikelen. Een verwarmd blikje Suntory Boss latte coffee is heel gewoon in vergelijking met bijvoorbeeld stropdassen en brood in blik. Ik lees ergens dat ze in Tokio zelfs automaten hebben met gebruikt dames ondergoed (inmiddels wel illegaal). Lijkt me een broodje aap verhaal maar hier weet het het maar nooit. Er komt natuurlijk een moment waarop je door de hoeveelheid van het vreemde het vreemde niet meer ziet.
Dat punt hebben we echter nog lang niet bereikt! In Itoigawa houden ze het bij flesjes en blikjes. Althans, voor zover we het kunnen beoordelen.
