koude schoonheid 

de Haut-Tell*

We rijden over de ruggengraat van het Tunesische binnenland: de Haut-Tell. Het is een aaneenschakeling van hoge plateaus en bergketens die de overgang vormen tussen het mediterrane noorden en de droge woestijn in het zuiden. De elementen hebben hier vrij spel. Terwijl de wind om de auto giert, worden de ruitenwissers van Suzi af en toe flink op de proef gesteld. Het is het soort kou die dwars door je kleren heen bijt.

Het idee was om een uitgebreide archeologische stop in Maktar te maken, maar de weersomstandigheden dempen onze historische nieuwsgierigheid aanzienlijk. Hoewel hier een van de best bewaarde badhuizen van Noord-Afrika ligt, wint vandaag het comfort. We laten de ruïnes voor wat ze zijn.

Terwijl we in het plaatsje een koffie proberen te scoren, wordt pijnlijk duidelijk dat onze garderobe niet berekend is op deze hoogte en dit seizoen. Hier heb je niets aan een tweedehands hoodie. Wat je nodig hebt is een kachabiya. Iedereen lijkt dit te weten, behalve wij. We vallen daarmee ook flink uit de toon. Rondom de lokale markt en de moskee loopt vrijwel elke man in deze zware, donkere tuniek met puntige capuchon.

Het zijn imposante gewaden van stugge wol of kamelenhaar, duidelijk ontworpen om stormen te doorstaan. Joris ziet er direct potentie in. “Heerlijk voor na de sauna thuis.” Ik huiver bij de gedachte alleen al. Kamelenhaar? Ik word al onrustig als ik onder een normale wollen deken moet liggen, laat staan dat ik zo’n ding aantrek. Joris mag zijn kachabiya-aspiraties hebben; ik houd het liever bij zachtheid, desnoods synthetisch.

Maar wie weet, we gaan nog naar het zuiden en daarmee naar de bakermat van de kamelenhaarweverij, dus misschien komen we nog wel terug met het fijnste wol van een dromedaris die we ons maar kunnen voorstellen. Vooralsnog lopen we hier echter als een onaangepaste toerist, vechtend met een paraplu die om de haverklap binnenstebuiten klapt. 

koffiedrinken is een passieve activiteit van observeren 
Om op te warmen nemen we een capucin (de typische Tunesische espresso met een beetje melk) bij een van vele Ahwa’s. Wat eigenlijk geen horecagelegenheden zijn, maar meer een mix van een nationale woonkamer, nieuwsagentschap en buurthuis. We nemen plaats tussen de rijen mannen op een plastic stoeltje. Soort theateropstelling waarbij de straat het podium is. 

Zij kijken naar mij, want hier zijn geen vrouwen in deze gelegenheden, laat staan een buitenlandse. Op mijn beurt kijk ik naar de koe even verderop, die gelaten aan een touw voor de slagerij staat. Zijn lot is bezegeld, want het volgende stadium is de slacht. Het is eigenlijk de meest eerlijke en directe vorm van marketing en kwaliteitsgarantie die er bestaat en de ultieme versheidsgarantie van de betreffende slager. Vaak hangt er al een karkas, of ten minste een kop, zodat je precies weet wat de pot schaft: schaap, geit, lam of kameel.

Desgewenst wordt het ook nog gegrild, wat brood en harissa erbij en de maaltijd is klaar. De keten tussen dier en bord is hier op de hoogvlakte in ieder geval extreem kort en volledig zichtbaar. Desalniettemin wekt het bij mij weinig eetlust op. Geef mij maar wat berberbrood met honing of olijfolie. Paar dadels erbij uit het zuiden en af en toe een ojja merguez om het brood in te dopen. Ojja is vrij vertaald ‘chaos in de pan’ en het Tunesische zusje van de Shakshuka. Net als dat Tajine Tunisien het zusje is van de Spaanse tortilla. Ook lekker! Laat de koe daar nog maar even staan. 

zoete post in niemandsland
Het is inmiddels droog en we zijn weer opgewarmd dus vervolgen we onze weg richting El Kef. Onderweg wagen we een gokje bij een klein postkantoor langs de doorgaande weg. Ik wil een kaart naar mijn moeder sturen en deze zit nu al twee weken in mijn tas. Joris is sceptisch over het succes van deze missie vanuit niemandsland, ik heb vertrouwen. Wie gelijk gaat krijgen, moet uiteraard nog blijken. 

Binnen zijn er twee loketten: één voor bankzaken, één voor post. Daarachter een en dezelfde man. Hij neemt mijn kaart aan via het financiële loket. Ik leg uit dat hij voor mijn moeder is. Hij knikt begrijpend. Pays-Bas lijkt ook geen probleem. “Partout dans le monde, madame.” Hij vraagt ons om even geduld te hebben en verdwijnt naar buiten. Enigszins verbaasd blijven we achter. Joris werpt me een veelbetekenende blik toe. Maar dan komt de man terug met een brede lach en twee chocoladerepen. Een cadeautje. Melk met hazelnoten, voor ieder een.  Zomaar, omdat er nooit buitenlanders in ‘zijn’ postkantoor komen. Kom daar nog maar eens om in Nederland. Nu hopen dat de kaart net zo goed aankomt als de chocolade.  

El Kef (de rots) – gestapelde geschiedenis & Soefi-klanken
El Kef leeft in de hoogte, tegen de rotswand, alsof het bang is om de vallei in te glijden. We logeren hier in Dar Boumakhlouf, diep verscholen in de oude medina. De straatjes zijn zo smal dat ik mijn adem inhoud, in de ijdele hoop dat Suzi daardoor ook wat smaller wordt. Achteruitrijden in dit labyrint staat gelijk aan paniek, maar gelukkig stapt gastheer Mounir bij ons in om de weg te wijzen.

Omdat de stad zo steil tegen de bergwand is ‘gestapeld’, heeft onze Dar ingangen op drie verschillende niveaus. Wij slapen beneden, het leven speelt zich vooral boven af.

de warmte van Mounir
Mounir is de personificatie van Tunesische zorgzaamheid. Hij sleept direct een elektrisch kacheltje onze kamer binnen met daarbij een extra deken. Dat belooft wat voor de nacht zou je denken. Wanneer we later op de avond via de bovenste entree binnenkomen knettert het haardvuur al en ligt er een verse voorraad houtblokken klaar. We hoeven enkel twee fauteuils aan te schuiven en af en toe een beetje het vuur op te porren. Reisrust in zijn puurste vorm. 

Het ontbijt de volgende ochtend getuigt van diezelfde overdaad. De tafel is letterlijk te klein voor de parade aan schaaltjes die Mounir neerzet. Het lokale pronkstuk is een schaaltje met Rigouta: een romige, verse schapenkaas met olijfolie en gedroogde munt. We volgen de lokale etiquette, negeren het bestek, en dopen het brood direct in de romige kaas.

heilige drie-eenheid op de vierkante meter
De hoogst gelegen voordeur van onze Dar brengt ons direct op Place Bou Makhlouf. Hier wordt de bijnaam van El Kef als “stad van religieuze tolerantie” direct tastbaar. Op een oppervlakte niet groter dan een pleintje vind je een samensmelting van eeuwen.

Rechts torent de Ottomaanse Kasbah boven ons uit, de eeuwige wachter die richting Algerije tuurt. Links staat de Zaouia van Sidi Bou Makhlouf met zijn geribbelde witte koepels en een minaret versierd met smaragdgroen keramiek. Uit het cafeetje ernaast klinken mooie Soefi-klanken van de Aissawa-broederschap. En dan, pal daarnaast: de overblijfselen van de Sint-Pietersbasiliek (Dar El Kous). Het is fascinerend hoe de muren van deze gebouwen elkaar bijna aanraken. Een kerk, gebouwd op een heidense tempel, naast een moskee, onder de rook van een militair fort. De stenen hier hebben meer religies gezien dan ik ooit zal begrijpen. 

De oude bewaker nodigt ons uit in de basiliek. Met een enorme sleutelbos neemt hij ons mee naar het binnenste van wat ooit een Byzantijns gebedshuis was. In een hoek zie ik zijn ‘huis’: een paar doeken, een matrasje en één enkel peertje. Het contrast met onze Dar aan de overkant van het pleintje, met z’n haardvuur en Rigouta, is pijnlijk. Hij leidt ons tussen de antieke zuilen en vertelt wat over de historie, maar mijn gedachten blijven hangen bij dat matrasje in de hoek. Hij vraagt geen geld, hij deelt enkel trots de historie. 

De contrasten zetten zich ’s avonds voort wanneer we in een klein lokaal café belanden. Eenvoud alom: een zeer oude koffiemachine, een gedeukte ketel voor de muntthee en, uiteraard, een televisiescherm. De FIFA Arab Cup is bezig. De stemming is echter verre van euforisch; het Tunesische elftal bakt er weinig van, daar hoeven we geen Arabisch voor te begrijpen. Het collectieve zuchten bij verlies is universeel. 

We raken in gesprek met de jongen die ons de koffie serveert. Hij is 26 jaar en zit reeds 12 jaar in het leger. Tijdens zijn verlof komt hij zijn moeder en broer hier in El Kef een handje helpen met het runnen van het café. Hij vertelt het met trots, maar terwijl ik naar zijn gezicht kijk, maak ik de rekensom. Zesentwintig min twaalf is veertien. Een kindsoldaat? Of een militaire kostschool?

Terwijl ik dit schrijf kijk ik hoe dit kan, want de officiële wetgeving heeft een verplichte dienstplicht vanaf 20 en er zijn verdragen getekend die de inzet van kindsoldaten verbieden. Hopelijk geen illegale rekrutering voor een radicaal netwerk… De periode direct na de Jasmijnrevolutie was tenslotte nogal instabiel te noemen. Ik kan het hem niet meer vragen. Het zijn dit soort ontmoetingen die niet alleen de reis kleur geven, maar ook tot denken aanzetten. 

de best bewaarde Romeinse stad
Het kroonjuweel van de regio is echter Dougga (Thugga). Ook hier worden we weer rondgeleid door een kundige, vrouwelijke gids; Mouna. In het Bardo Museum in Tunis zagen we het mozaïek van Odysseus en de Sirenen. Hier staan we op de plek waar dat mozaïek in situ lag. Dougga is uniek omdat de Romeinen hier hun strakke rasters moesten loslaten. De stad is organisch gegroeid, zich aanpassend aan de grillige heuvel en het bestaande Numidische stratenplan. Het Capitool is het onbetwiste hoogtepunt en waarschijnlijk het meest gefotografeerde monument van Dougga, op de voet gevolgd door het theater. Nu, na 2000 jaar, nog steeds in gebruik. Tijdens het jaarlijkse Festival van Dougga zitten hier duizenden mensen op dezelfde stenen banken als de Romeinen in het jaar 168. Sterker nog, vorig jaar heeft Anouar Brahim hier nog opgetreden. Wij hebben hem in Tivoli Vredenburg gezien. Hier is het uitzicht over de vallei echter toch net even anders…

Toch zien we maar een fractie, hoe compleet deze antieke stad ook lijkt te zijn. “Zeker twee derde ligt nog onder de grond,” aldus de gids. Ze wijst naar de velden met olijfbomen rondom de heuvel. Het is een complex probleem. De grond boven op de onontdekte geschiedenis is eigendom van boeren. Hun olijfbomen en gewassen zijn hun inkomen. De staat heeft geen budget voor onteigening, laat staan voor grootschalige opgravingen.

Kleinschaliger zien we gelukkig wel initiatieven. Even verderop werken twee mannen met engelengeduld aan een nieuw ontdekt mozaïek. Het gaat traag, maar wat tevoorschijn komt is prachtig. Het lijkt erop dat het verleden hier nooit ver weg is; soms ligt het letterlijk onder je voeten, wachtend op het juiste moment om ontdekt te worden.

*geschreven in een heerlijk zonnetje

Een gedachte over “koude schoonheid 

Plaats een reactie