de tunesische weegschaal

ceterum censeo: een nawoord over revolutie, berusting en rode kittens.

De wasmachine doet zijn werk en haalt het stof uit de vezels. De kerstcadeautjes zijn uitgepakt en het Nederlandse ritme begint weer voorzichtig vorm te krijgen. We zijn terug. Fysiek althans. We tuimelden vanuit het vliegtuig zo het Hollandse kerstcircus in, maar mijn hoofd dwaalt ‘s nachts nog ergens rond in de Maghreb.

Vanmorgen vroeg werd ik wakker van een monotoon, dreunend geluid. In dat verwarrende niemandsland tussen droom en werkelijkheid was ik er heilig van overtuigd dat de muezzin opriep tot het ochtendgebed. Ik voelde even een vlaag van geluk, totdat de realiteit binnenkwam: het was de vuilophaaldienst in mijn eigen straat.

l’exception tunisienne?
Vier weken Tunesië zitten in mijn kleren, maar kan ik zeggen dat ik het land ken. Nee. Zeker als je, zoals ik, de taal niet spreekt en blijft hangen in een onbeholpen ‘shukran’ en ‘bonjour, ça va?’. Joris redt zich gelukkig aardig in het Frans en is, zoals de mensen hem kennen, altijd oprecht geïnteresseerd en vraagt de lokale bevolking graag het hemd van het lijf. Uiteindelijk blijft onze blik echter die van de passant. De scribent, zoals Joris me liefdevol (en soms met een diepe zucht als ik weer eens te lang zit te tikken) noemt.

Desondanks durf ik wel één observatie aan: Tunesië is een land van twee snelheden.

We zagen het direct bij de start in Le Bardo. Aan de ene kant onze host Sihem: een dame die haar zaakjes duidelijk op orde had en zelfs de regen trotseerde in een Russische bontjas. Een uur later stonden we bij Echimi, een Tunesische versie van Subway. Terwijl de jongens achter de toonbank onze malfouf behendig dichtsmeerden met harissa, kip en Vache qui Rit, deelden ze hun rauwe realiteit. Ze wilden weg. Weg van de walm van frituurvet, weg van de uitzichtloosheid. Voor hen slaat de balans duidelijk door naar de overkant van de zee.

Die dualiteit reisde met ons mee. De B&B hosts behoren vaak tot de gelukkige klasse met vastgoed en connecties. Maar op straat, bij de tankstations, in de olijvenvelden en in de cafés, zie je de andere kant.

de man en de weegschaal
Om die kloof te begrijpen, moeten we terug naar die bewuste 17 december 2010. Naar Sidi Bouzid, een stadje in het binnenland. Daar stond Mohamed Bouazizi.
Ik heb me gedurende onze reis vaak afgevraagd hoe die ochtend eruitzag. Waarschijnlijk begon het zoals elke andere dag op de stoffige markt. Mannen die hun groente rangschikken, de geur van kruiden en vis, en de altijd aanwezige spanning rondom de politie.

Het verhaal gaat dat de controleurs die ochtend extra fel waren. Ze keurden willekeurig fruit af, deelden boetes uit en intimideerden de verkopers. Toen een vrouwelijke agente bij de kraam van Mohamed kwam, escaleerde het. Ze nam zijn appels in beslag. Maar erger nog: ze pakte zijn weegschaal. Zijn enige kapitaal.
Volgens de overlevering gaf ze hem daarbij een klap in zijn gezicht. De lont in het kruitvat. Een ultieme openbare vernedering. Mohamed probeerde nog verhaal te halen bij het gouvernement, maar werd weggestuurd. “Niemand wil je spreken.”

De wanhoop van dat moment was de laatste druppel in een zee van corruptie en uitzichtloosheid. Een uur later stak hij zichzelf voor het gouvernementsgebouw in brand. Geen religieuze daad, geen politiek statement, maar een schreeuw van pure onmacht.

butterfly effect – van vonk naar orkaan
Mohamed stierf achttien dagen later aan zijn brandwonden. Hij heeft nooit geweten dat zijn persoonlijke wanhoopsdaad de wereldkaart permanent zou herschikken. Het is het ultieme, tragische voorbeeld van the Butterfly Effect. De vleugelslag van een vlinder in het stoffige Sidi Bouzid veroorzaakte een orkaan die ver buiten de Maghreb raasde.

Die orkaan werd aangejaagd door een kracht die dictators tot dan toe onderschatten: social media. Het was de geboorte van de eerste echte ‘Facebook-revolutie’, waarbij de beelden van onrecht zich sneller verspreidden dan de censuur kon bijbenen.

De woede sloeg over naar Tunis en Ben Ali pakte zijn biezen. Maar de dominostenen bleven vallen, dwars door grenzen heen. Mubarak werd afgezet in Egypte, Khadaffi verjaagd en gedood in Libië. In de rokende puinhopen van Syrië (waar de revolutie ontaardde in een burgeroorlog) en in Irak vond een nieuwe duisternis vruchtbare bodem. De opkomst van IS joeg miljoenen mensen op drift, met als gevolg een exodus die de Europese solidariteit tot het uiterste testte. En eigenlijk nog steeds. De politieke verhoudingen staan voorgoed op scherp.

een autocratische winter?
En Tunesië? Dat bleef overeind. Geen burgeroorlog, maar een Nobelprijs voor de Vrede voor het ‘Nationale Kwartet’ dat de democratie redde. Een wonder. Maar wel een wonder met een bittere nasmaak. Want democratie kun je niet eten.

De huidige president Kais Saied regeert inmiddels per decreet en draait de klok in rap tempo terug. Zijn tegenstanders worden gearresteerd, de economie ligt op z’n gat en de jeugdwerkloosheid schommelt rond de 40%. Als buitenstaander zou je zeggen dat de Arabische Lente langzaam bevriest in een nieuwe autocratische winter.

Maar dat is niet het hele verhaal. De mensen die wél wat willen zeggen, zijn namelijk verrassend positief. Zeker de vrouwen met een baan bij de overheid of in het toerisme. Zij zijn (terecht!) trots dat hun kinderen studeren en straks wellicht meer kansen hebben. Zij benoemen en roemen juist de stabiliteit.

Kijk ik te veel door mijn westerse, democratische bril naar de beperkingen? Krijgen wij slechts het gefragmenteerde nieuws door? Of is het simpelweg de realiteit dat voor veel mensen rust en een inkomen belangrijker zijn dan politieke theorieën? Het is een complexe cocktail van dit alles.

van kaarslicht naar pantserwagens
Toch bestaat Tunesië niet alleen uit zware historie. Het zijn juist de mooie ontmoetingen en de kleine, absurde momenten die de weegschaal voor ons in balans hielden. Die gelaagdheid maakt het land zo fascinerend. Want dwars door de politieke zorgen heen, blijft vooral de enorme zachtheid en gastvrijheid hangen. De vele patstellingen op kruispunten die zonder getoeter werden opgelost en de vriendelijke nieuwsgierigheid.

Het land investeerde onder Bourguiba decennialang zwaar in onderwijs en, uniek in de regio, in de rechten van de vrouw. Dat voel je op straat, in het verkeer, in de restaurants. De maatschappij oogt minder strikt gescheiden, de religie voelt voor ons toleranter, of in ieder geval meer privé.

En natuurlijk waren er die heerlijk, bizarre situaties:

  • De omgekeerde wereld in het postkantoor: waar de beambte zó blij was met een buitenlandse klant (of überhaupt een klant?) dat hij óns betaalde. In hazelnootchocolade.
  • De toewijding van het jonge personeel in dat hilarische, illegale 1001-nacht hotel bij Nebeur. Terwijl wij daar bijna het hotel in de fik staken omdat Joris zijn teen stootte aan één van de zeshonderd romantische waxinelichtjes, probeerden zij met man en macht iets op te bouwen in een land vol bureaucratische hindernissen.
  • Boujemaa, die ons door de heilige medina leidde door driftig te zwaaien met zijn eigen relikwie: een vintage, giroblauw Postbank-mapje uit Zaanstad.
  • De ultieme ironie in de oase van Tozeur. Terwijl we aan de rand van de Sahara letterlijk weg regenden door een zeldzame wolkbreuk, kwam er in onze privé-bungalow geen druppel uit de kraan. Buiten een zondvloed, binnen totale droogte.
  • De chaos rondom ‘Suicide Suzie’, de rode kitten die ons motorblok aanzag voor een wellness-resort.
  • De ontmoeting met Mauro, de eenzame Italiaanse motorrijder in El Djem, die zijn verjaardag vierde met een bord Tunesische pasta en zijn levensverhaal deelde tussen de waterpijpen.

Maar misschien waren de laatste dagen in Tunis wel het meest veelzeggend. Toen we terugkeerden in de hoofdstad, zagen we ze staan: de pantserwagens, de politieblokkades, de zwaarbewapende agenten op de Avenue Habib Bourguiba. De spanning was tastbaar en tegelijkertijd ging het leven gewoon door.

Dit contrast was nog eens extra voelbaar toen we de poorten van de medina inliepen. Alsof alles wegviel. De dikke muren van de oude stad lijken niet alleen de hitte buiten te houden, maar ook de moderne onrust. Binnen heerst weliswaar de drukte in de oude soeks, maar ook de eeuwige rust van ambachtslieden, geuren en gebed. Alsof de medina zegt: “Regimes komen en gaan, maar wij blijven”.

ceterum censeo…
En daarmee ben ik van mening – vrij naar Cato de Oude, die vond dat Carthago verwoest moest worden – dat Tunesië juist gekoesterd moet worden.

Het is een land dat balanceert. De weegschaal van Mohamed Bouazizi reist in gedachten met ons mee. Het land ligt nog steeds op die schaal, balancerend tussen hoop en wanhoop, tussen democratie en dictatuur, tussen de jongens van de restaurants en de dames in bontjassen.

Voor nu sluit ik mijn ‘scribent-modus’ af. De realiteit staat ongeduldig op de stoep. Morgen is het tijd om de inbox te openen en de ‘snoozed’ emails te trotseren. Er staat een ovenschotel op het menu – dit keer zonder harissa – en er wacht een eerste ritje in de nieuwe lease-auto. Een strakke BMW rijdt toch net even anders dan onze trouwe, rammelende Suzi.

De omschakeling is bruut, maar de herinnering is warm. Misschien moet ik die Duitse bolide maar een Arabische naam geven om het gevoel vast te houden.

Shukran, Tunesië.

Plaats een reactie