Wander. Travel. Learn. | Australië, 2001
Het is een vreemde gewaarwording. Na zes maanden Azië, waar de hiërarchie bepaalt dat ik ‘Madam’ ben en Michel ‘Sir’, worden we hier op dag één gedegradeerd (of gepromoveerd, het is maar hoe je het bekijkt) tot Mate en Darling. Australië is geen land van nuances in de begroeting. Het is “G’day” of niets.
Dit verhaal is een duik in het archief en een poging om de diverse reisverhalen te bundelen op één plek, hier dus op deze site.
Het is 2001 en Australië is een van de bestemmingen tijdens de twee jaar durende wereldreis die ik samen met Michel maakte. In Australië voegt mijn moeder zich voor een aantal weken bij ons. Wat volgt is een roadtrip door een land dat zo bizar groot is dat 90% van de bevolking in slechts 0,22% van het gebied woont. Wij gaan precies naar dat andere, lege deel: de Outback. Vanwaaruit we 6600 km op de teller zetten en eindigen in Sydney. Een dwarsdoorsnede van een land waar een ‘thong’ een slipper is en geen lingerie.
van curry naar kaas
De cultuurschok is niet onplezierig, maar wel aanwezig. Het begint al in het vliegtuig: Australische wijn! Eenmaal in Melbourne slaan onze oerinstincten toe. We plunderen de supermarkt voor Franse kaas, vierliterpakken wijn (de befaamde cask wine), salami en taramosalata. Na maanden van rijst en noedels voelt dit banket van westerse calorieën haast als een religieuze ervaring. Hoe lekker en veelzijdig de Aziatische keuken ook is, verandering is altijd prettig.
We logeren de eerste week bij Derek en Helen. Geen ‘vrienden’ in de diepe zin van het woord, maar een stel dat we in India hebben ontmoet. Dat ging als volgt: wij staan in het stoffige Orchha, tussen de tempels en paleizen, wanneer er iemand op ons afstapt. “Are you guys following us?”
Wij kijken hem aan alsof we water zien branden. Ons was niets opgevallen, maar zij hadden ons al drie keer eerder gezien. Die avond zitten we samen aan tafel en bij het afscheid klinkt het: “Als jullie ooit in de buurt van Melbourne zijn, kom langs.”
melbourne; pubs, papegaaien en en ‘roodkont’
Tja, wat is in de buurt? Het plan was eigenlijk om in Darwin, het tropische noorden, te starten en recht naar beneden te zakken. Maar omdat de kans klein is dat we ooit nog terugkomen in Australië, gooien we het roer om. We starten in Melbourne. En daar, in hun achtertuin, leren we de eerste Australische merkwaardigheden: een BBQ mag maximaal twee stubbies (biertjes) duren, ondanks de enorme Brontosaurussteaks. De Aussie neemt zijn vrije tijd serieus, maar de ontspanning is efficiënt. Misschien past dat bij hun nationale symboliek: op het wapen staan een kangoeroe en een emoe. Ik vraag waarom. Omdat deze dieren fysiek niet achteruit kunnen lopen. Het motto is simpel: always moving forward.
We bezoeken ‘voorwaarts’ (Guinness) pubs, het strand, en ontdekken Melbourne: een aangename, rustige en nette stad, niets meer en niets minder. We regelen de praktische zaken, zoals onze laatste hepatitis-herhalingsprikken bij de plaatselijke huisarts, en verkennen een aantal wijngaarden in de buurt. Daar worden we rondgeleid door Barbs, bijnaam Grizzle Adams. Een echte Aussie van twee bij twee meter, compleet met een papegaai die koffie drinkt op onze schouders terwijl wij aan de wijntjes sippen.
Eigenlijk is het een weekje vakantie vanuit één plek. Het enige adrenaline-moment is wanneer we tussen het beddengoed een ongenode gast ontdekken: een Redback spider. Met zijn gitzwarte lijf en die venijnige, vuurrode streep op zijn rug, of ‘rood kontje’ in onze ongezouten vertaling, ziet hij er precies zo gevaarlijk uit als hij is. In Australië leer je snel: hoe kleiner en feller de kleur, hoe sneller je moet maken dat je wegkomt. Deze ‘roodkont’ blijkt een neefje van de beruchte Zwarte Weduwe te zijn en zijn beet staat garant voor een zenuwslopend weekend in het ziekenhuis. Terwijl Grizzly Adams waarschijnlijk zijn hand niet zou omdraaien voor zo’n spinnetje, staan wij met een hartslag van tweehonderd de lakens uit te schudden. Welkom in de Outback-light; waar zelfs in een net huis in Melbourne de natuur besluit dat het tijd is voor een adrenalinekick.
de logica van het reizen – of het gebrek eraan
De echte reis begint echter pas wanneer mijn moeder landt in Alice Springs. Voor vertrek van onze wereldreis had Michel spontaan voorgesteld dat het leuk zou zijn elkaar daar, precies in het midden van het continent, te ontmoeten. Zij startte in het westen voor familiebezoek in Perth; wij zouden vanuit Darwin zuidwaarts zakken. Zij hield zich keurig aan het plan. Wij, dankzij onze onvoorziene stop in Melbourne, dus niet.
Het resultaat? We hebben een dure (maar nog altijd goedkoper dan vliegen) Greyhound bus nodig om vanuit Melbourne in Alice Springs te komen. Een rit van 31,5 uur dwars door het grote, lege ‘niets’. Dat we straks met de camper exact dezelfde weg weer terug moeten rijden richting het zuiden, is een kleinigheid waar we niet te veel aandacht aan besteden. We noemen het de flexibiliteit van het reizen.
mparntwe – een stad op heilige grond
Alice Springs ligt geografisch in het midden, maar gevoelsmatig in een andere dimensie. Voor de witte kolonisten was dit een handige telegraafpost. Voor de oorspronkelijke bewoners heet deze plek Mparntwe.
Ik leerde op school het woord ‘Aboriginals’, alsof het één homogeen volk is. Dat is dus een misvatting. Voor de Britse kolonisatie bestond Australië uit meer dan 500 verschillende naties, elk met hun eigen taal en cultuur. Het is net zo onnauwkeurig als zeggen dat een Noor en een Spanjaard hetzelfde zijn omdat het allebei ‘Europeanen’ zijn. Hier, in het rode hart, zijn we te gast op het land van de Arrernte.
En hier wringt het. Mparntwe is voor de Arrernte niet zomaar een woonplek; het is een cruciale locatie in hun Dreamtime verhalen over de schepping van de aarde. De moderne stad met zijn supermarkten en asfalt is letterlijk bovenop hun heilige plaatsen gebouwd. Elke straathoek kan een plek zijn waar voorouders rusten.
Dat verklaart de spanning die we hier voelen. We worden gewaarschuwd voor “gevaarlijke Aboriginals”, maar wat ik zie is de wanhoop van een volk dat in hun eigen heiligdom als vreemden wordt behandeld.
tracks & mixed grill
Om de sfeer wat te verlichten, trakteert mijn moeder ons op een etentje, nog voor mijn verjaardag. Op het menu: Mixed Grill op z’n Australisch. Kangoeroe, emoe, krokodil en… kameel.
Dat klinkt als een toeristengrap, maar Australië heeft de grootste populatie wilde kamelen ter wereld. Het doet me denken aan het boek ‘Tracks’ van Robyn Davidson. In 1977 liep zij als jonge vrouw, precies vanaf hier (Alice Springs), 2.700 kilometer door de woestijn naar de Indische Oceaan. Ze deed dit met vier kamelen en haar hond Diggity, dwars door het heilige land van de inheemse bevolking. Een tocht van pure eenzaamheid en schoonheid.
Terwijl ik kauw op mijn stukje kameel, voel ik de ironie. Robyn liep mét ze, wij eten ze op. En Saoedi-Arabië? Die importeren ze ondertussen vanuit Australië, omdat ze hier genetisch zuiverder zijn.
Pipo, Mammaloe en de woonwagen
We huren een camper, “de woonwagen”. Een gevaarte van 6,5 meter met magnetron en zes slaapplaatsen. De luxe is overweldigend, het verbruik ook (1 op 6). De handleiding ontbreekt. De eerste nacht proberen we tot 01:00 uur de tafels om te bouwen tot bedden, terwijl mijn moeder met haar benen in de lucht ligt. Comfort blijkt hard werken in de outback.
Natuurlijk bekijken we de twee iconische rotsformaties: Uluru and Kata Tjuta. Deze laatste is ook wel bekend als de Olga’s. Waar Uluru één massief blok is, is Kata Tjuta meer een doolhof. 36 gigantische rode koepels die over een oppervlakte van ruim 20 kilometer verspreid liggen. Daarna trekken we verder de woestijn in. De MacDonnell Ranges strekken zich als een versteende rups uit aan weerszijden van Alice Springs. Volgens de Arrernte zijn deze bergketens gevormd door gigantische rupsen (Yeperenye) tijdens de Dreamtime. Het is een gebied vol met prachtige rotswanden, bergen en zoutmeren. Ideaal om te wandelen, ook al moeten de tempo’s nog wel even op elkaar afgestemd worden. Kings Canyon is een vallei omgeven door zeer steile rotswanden die Mammaloe Jr. en Pipo beklimmen en Mammaloe Sr. vanuit de helikopter bekijkt. Ook mooi, birds eye view!
- Ormiston Gorge: We wandelen tussen de witte stammen van de gombomen die spookachtig afsteken tegen de felrode rotswanden.
- Standley Chasm: We zorgen dat we er precies rond het middaguur zijn, wanneer de zon loodrecht in de smalle kloof schijnt en de wanden laat opgloeien als hete kolen. Mooi.
- Via de zoutvlaktes zakken we af naar Coober Pedy. Dit is Mad Max in het echt. Omdat het hier in de zomer ondraaglijk heet is, woont de helft van de bevolking ondergronds in oude opaalmijnen (dugouts). Zelfs de kerk en de hotels zijn uitgehakt in de rotsen. Het is er zo heet dat de lokale golfclub alleen ’s nachts speelt, met glow-in-the-dark ballen. Dit slaan we maar over. Het Breakaways Reserve is echt prachtig, alsof je op de maan loopt. Althans, ik denk dat het er daar zo ongeveer uitziet.
embryo’s op pauze (en roadtrains op ramkoers)
Hier zien we ook de eerste kangoeroes in het wild, we hebben zelfs bijna een aanrijding. Ongelofelijk hoeveel kangoeroelijken er langs de Stuart Highway liggen. De kangoeroe is hier geen schattig symbool, maar een overlevingsmachine die de weg als een levensgevaarlijk obstakel ziet.
Wat overigens fascinerend is aan deze dieren, en wat wellicht hun overlevingsdrang in dit kurkdroge landschap verklaart, is dat een vrouwtjeskangoeroe vrijwel constant zwanger kan zijn. Ik leer hier dat ze de unieke gave hebben van ‘embryonale diapauze’: ze kunnen de ontwikkeling van een embryo letterlijk “op pauze” zetten als de omstandigheden (zoals extreme droogte of hitte) te slecht zijn. Pas als er bijvoorbeeld weer genoeg te eten is, gaat de biologische klok weer lopen. Het is de ultieme back-up planning; alsof ze een reserve-baby in de vriezer hebben liggen voor betere tijden?
Helaas helpt die ingenieuze biologie ze niet tegen de roadtrains op de highway. Met een gezonde dosis ontzag voor deze springende overlevers laten we het stof van de Outback achter ons en zakken we verder af naar de glooiende heuvels van het zuiden.
van riesling naar rollende vaten
We spoelen onze kelen in de Clare Valley en Barossa Valley. Het oudste wijngebied van Australië. In de Clare Valley leren we dat de Jezuïeten hier al in 1851 wijn maakten bij Sevenhill Cellars. Oorspronkelijk voor de mis, maar gelukkig ook voor ons. Maar het hoogtepunt is Yalumba in de Barossa Valley. Dit is de oudste wijnmakerij van Australië die nog steeds in handen is van dezelfde familie (sinds 1849!). Wat het echt uniek maakt: ze hebben een eigen kuiperij (cooperage) op het terrein, de enige in het zuidelijk halfrond. Terwijl wij nippen van hun wereldberoemde Signature (Cabernet-Shiraz), worden even verderop de eikenhouten vaten met de hand getimmerd. Ambacht in een glas en er lijkt geen betere plek om de verjaardagen te vieren.
Ark van Noach – kangaroo island
De veerboot naar Kangaroo Island is prijzig, maar de overkant is een paradijs. Doordat het eiland geïsoleerd ligt, hebben exoten (zoals vossen en konijnen) hier nooit voet aan de grond gekregen. Het is de oprecht de Ark van Noach van Australië.
We zien koala’s in het wild en bij Admiral’s Arch spelen Nieuw-Zeelandse pelsrobben in de branding. De Remarkable Rocks zijn door de wind en zee uitgeholde granieten sculpturen die fel oranje afsteken tegen de blauwe oceaan. Super mooi en een geweldige kampeerplek. Waar zit je tenslotte rustig naast je woonwagen terwijl de kangoeroes, koala’s en opossums rondom grasduinen? Na nog een duik bij Hanson bay maken we weer de oversteek en rijden we richting de Grampians. Een prachtig berggebied en tevens national park,. Helaas zijn de Balconies gedeeltelijk afgesloten maar de mooie McKenzie watervallen waren ook de route waard. Wat een natuurschoon, en wat een diversiteit.
daar waar bruggen vallen en apostelen verdrinken
Via de mooi, maar toeristische, Great Ocean Road rijden we terug richting Melbourne. De klif is hier van zacht kalksteen, wat zorgt voor dramatische erosie.
We stoppen bij de Twelve Apostles, waarvan er nog maar een stuk of zeven overeind staan. En we zien London Bridge. Vroeger een dubbele boog waar je overheen kon lopen, tot hij in 1990 instortte. Twee toeristen tonden op dat moment op het verkeerde uiteinde en moesten met een helikopter gered worden, terwijl de brug achter hen in zee verdween.
toeristische trekpleisters en pinguïn tribunes
Na de Great Ocean Road zakken we af richting de kustweg naar Sydney. Onderweg kunnen we Phillip Island niet overslaan. Met 2,5 miljoen bezoekers per jaar is dit dé trekpleister van Victoria. Het zorgt voor een dilemma. Als je voor het eerst in Parijs bent, beklim je ook de Eiffeltoren. Toch trekken we hier een grens. ’s Avonds vanaf een tribune naar pinguïns kijken die aan land komen, dat gaat ons echt een brug te ver, hoe leuk die beestjes ook zijn. We laten de massa achter ons en zoeken weer de echte natuur op. De route voert ons langs Lakes Entrance, een schitterend gebied waar rivieren overgaan in uitgestrekte meren. Vervolgens vinden we aan de oostkust een droomplek bij Tuross Head: een camping die letterlijk aan het strand grenst. Hier leert de oceaan ons nog even een lesje nederigheid. Mijn moeder besluit te gaan zwemmen en een onderstroom trekt haar mee, dus een wat paniekerige reddingsactie volgt. Dochter en schoonzoon zijn beiden onervaren, maar hand in hand spoelen we uiteindelijk weer aan, toch wel happend naar adem. Ik gril ’s avonds nog maar eens een stuk haai op de bbq om de goede afloop te vieren.
sydney & mardi gras – amsterdam on steroids
Na een laatste kampeerstop in Kiama eindigt de reis in Sydney. Na 6.600 kilometer leveren we de woonwagen in (met wat onverklaarbare krassen). We zetten moeders op het vliegtuig. Missie geslaagd, iedereen leeft nog, en Michel en ik duiken het feestgedruis in. Sydney maakt zich namelijk op voor de Mardi Gras.
En wauw. Als je denkt dat de Pride in Amsterdam een feestje is, think again. Waar Amsterdam dobbert op de grachten, is Mardi Gras een explosie van energie op het asfalt. Het hele centrum rondom Taylor’s Square staat op zijn kop. Passend bij het thema ‘Out There, Everywhere’.
Het doet me denken aan hoe Koninginnedag vroeger voelde in Amsterdam: de totale anarchie, de massa mensen die één deinende menigte vormt, de stad die van het volk is. Maar dan met 30 graden, meer spieren, meer glitter en een ongetemde, rauwere energie die je wellicht alleen aan de andere kant van de wereld vindt. Wonder boven wonder vinden we in alle drukte ook nog Amanda, een Australische waar we onze laatste avond in China flink mee hebben zitten doorzakken (wat lijkt het alweer lang geleden dat we bijna die trein misten richting Vietnam…). We waren haar misgelopen in Adelaide, nu gelukkig alsnog hier in Sydney. Slechts zo’n 1400 km oostwaarts.
Australië is oprecht een land van uitersten. Van de spirituele zwaarte in Mparntwe tot de hedonistische vrijheid van Mardi Gras. Michel was als kind bang dat hij van de onderkant van de wereld zou vallen. Wij zijn er niet afgevallen. We zijn er wel een beetje aan blijven hangen.
Next stop: we verruilen de rode aarde voor groene valleien en gletsjers. We steken de Tasmanzee over naar het land van de lange witte wolk: Nieuw-Zeeland. Zin in!