hola Colombia – van Márquez naar de modder – magisch realisme aan de Caribische kust

Zestien jaar wachten, een overijverige labrador en de SWOT-analyse van een overlevingstocht in de jungle

venezuela – 1997
Het heeft precies zestien jaar geduurd. Rondtrekkend door Venezuela werd het daar al gefluisterd: “Colombia is de echte must-go.” Maar destijds was ik jong, onwetend en (laat ik eerlijk zijn) bevooroordeeld. Bij Colombia dacht ik aan slechts twee dingen: de inmiddels overleden Pablo Escobar en de FARC. Niet direct de ingrediënten voor een ontspannen vakantie. Het verhaal dat het “één van de veiligste landen van Zuid-Amerika” zou zijn, schoof ik lachend terzijde. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan.

colombia – 2013
Na een soepele vlucht vanuit Panama City (die volgde op een chaotische vlucht vanaf Bocas del Toro waar ze letterlijk een extra vliegtuig moesten ‘invliegen’ wegens overboeking), sta ik eindelijk op Colombiaanse bodem.

kwispelende douane
Mijn eerste kennismaking met de Colombiaanse autoriteiten is… hartelijk. Bij de bagageband word ik besprongen door een blaffende, kwispelende labrador die mijn tas bijna opeet. Ik schrik me rot. Ik hou van honden, maar drugshonden horen in mijn beleving strakke, emotieloze professionals te zijn. Terwijl ik koortsachtig bedenk of ik mijn tas ergens uit het oog ben verloren (natuurlijk niet), begin ik het beest in het Nederlands vermanend toe te spreken dat hij weg moet gaan.

De begeleider kijkt me streng aan. “Hoeveel dollars heb je bij je?” vraagt hij. Voor ik fatsoenlijk antwoord kan geven, mag ik doorlopen. Geen fouillering, geen verhoor. Blijkbaar was de hond nog in opleiding of had hij gewoon een zwak voor mijn wasmiddel. Welkom in Colombia, waar zelfs de drugscontrole een tikkeltje magisch-realistisch is? Ik snap er niets van, maar maak me rap uit de voeten terwijl ik een straaltje zweet over mijn rug voel gaan.

cartagena – bougainville en Gabo
Cartagena de Indias is een sprookje, maar wel een met een rauw, koloniaal randje. Het oude centrum is een doolhof van klinkerstraatjes en houten balkons die zowat bezwijken onder de felroze bougainville. De pleintjes ademen een lome cadans waar de tijd lijkt stil te staan. Het is de stad van Gabo (Gabriel García Márquez). Met zijn Liefde in tijden van cholera in de hand probeer ik de omschrijvingen van de stad te herkennen, maar van echt lezen komt weinig terecht.

Dat heeft een reden: in Cartagena ben je nooit lang alleen. Mijn Spaans is verre van vloeiend, maar dat deert de locals niet. Zodra ze zien dat ik Márquez lees, beginnen ze te praten; dat ik het echt in het Spaans moet lezen, of ik mee ga salsa dansen, of dat ze me mogen rondleiden door hún stad.

Ik merk dat ik de ‘beschouwer’ nog niet helemaal kan uithangen. Als vrouw alleen op pad heb ik toch altijd een onzichtbare radar aanstaan die de omgeving scant op veiligheid en intenties. In Latijns-Amerika staat die radar net een standje scherper dan elders. Het is zeker geen angst, meer een pragmatische waakzaamheid die de volledige rust nog wat in de weg staat. Ik ben regisseur, hoofdrolspeler en beveiliger in mijn eigen film; dat laat weinig ruimte voor contemplatie.

goudkoorts, muren en de moderne overval
Waar goud is, zijn kapers op de kust. Letterlijk. Piraten zoals de beruchte Sir Francis Drake hadden het destijds voorzien op de Spaanse goudvoorraad, wat die massieve stadsmuren tot een bittere noodzaak maakte in plaats van een louter architectonisch statement. Drake slaagde er in 1586 overigens wel in de stad te plunderen, maar vandaag de dag zijn het denk ik vooral de toeristen die de stad ‘overvallen’.

Daarmee voelt Cartagena voor mij ook een beetje als een flamboyante etalage die bijna té perfect is opgepoetst. De panden glimmen in pasteltinten als in een openluchtmuseum en de Palenqueras weten precies hoe ze moeten poseren voor een paar pesos. En ja, ook ik maak de foto’s en geniet van de kleuren. Het is echt dat magisch-realisme van Gabo dat hier overal doorsijpel. Een vervaagde grens tussen feit en fictie, tussen een authentieke stad en een zorgvuldig opgetuigd decor. Het is een stad van ‘muren’, zoals de besloten medina’s die ik uit de Arabische wereld ken. Ik vraag me oprecht af hoeveel echte Cartageneros hier nog binnen de muren wonen, of dat zij al lang naar de minder fotogenieke buitenwijken zijn verdreven.

Terwijl de avondzon een gouden gloed over de koraalstenen muren werpt, kijk ik naar rechts richting de industriële horizon van Mamonal. Daar zie ik weer een andere kant van de stad. In de verte varen gigantische containerschepen binnen. Cartagena is niet alleen een Caribisch sprookje, het is ook de logistieke vuist van Colombia. De wereld buiten deze muren draait onverminderd hard door.

Is de stad daarmee minder de moeite waard? Zeker niet. Het is een esthetische, bijna dromerige start van Colombia die meer aanvoelt als de Cariben dan als het rauwe Zuid-Amerika waarop ik me had voorbereid. Een fijn vervolg op Panama. Maar de pragmatische reiziger in mij begint te trappelen. Hoewel ik genoten heb van Gabo’s woorden op de zonovergoten terrassen en al leunend tegen de enorme stadsmuren, ben ik nu wel klaar voor wat echte actie. Tijd om mijn Márquez-pocket in mijn tas te steken en te kijken of ik een ijskoude Limonada de Coco kan bemachtigen zonder direct een salsa-cursus aangesmeerd te krijgen.

Tayrona – modder, muskieten en de geest van de Tairona
Ik verruil de kinderkopjes voor een terrein dat zich het best laat omschrijven als een drassige hindernisbaan. Een contrast waar je ‘u’ tegen zegt. Mijn bestemming is Tayrona National Park.

Mijn route voert eerst via Taganga. Ooit moet dit een idyllisch vissersdorpje zijn geweest, maar inmiddels is het de officieuze hoofdstad van de luidruchtige backpacker geworden. De “vibe” wordt hier iets te vaak versterkt door substanties waar ik, als nuchtere regelaar, weinig mee kan. Mijn eindoordeel over Taganga wordt die nacht definitief gevormd door een trippende Brit die de halve nacht voor mijn kamerdeur staat te hinniken. Geen figuurlijk gehinnik, nee, een volwaardige imitatie van een paard in nood. Het is mijn overduidelijke teken om zo snel mogelijk de jungle in te vluchten.

twee keer niets is ook iets
Nadat het minibusje me heeft gedropt, volgt een hike van anderhalf uur naar de kern van het park. In 30 graden klamme hitte is elke kilo in je rugzak er één te veel. Ik kies voor Camping Don Pedro. Waar anderen voor de relatieve luxe van Yuluka gaan, zoek ik het liever wat dieper in de natuur. Mijn ‘onderkomen’ wordt een tentje voor zes euro per nacht. Het bijgeleverde matje is feitelijk niet meer dan een dikker uitgevallen krant, maar na wat stevig onderhandelen in mijn beste steenkolen-Spaans weet ik een tweede exemplaar te bemachtigen. Twee keer niets is immers toch iets.

Het weer werkt echter niet mee. De lucht is een bijna permanent grijs gordijn en de regen valt met een Caribische overgave. Gelukkig vooral ’s nachts. Het maakt de jungle echte jungle; de geur van natte aarde, rottend blad en de zoute zee is bijna bedwelmend. De paden zijn inmiddels veranderd in modderstromen waarin slippers zowel mijn beste vriend als mijn grootste vijand blijken. En dan zijn er de muggen. Mijn relatie met DEET is inmiddels toxisch; ik smeer zoveel dat ik vermoed dat de muggen het als een marinade beschouwen in plaats van als afschrikmiddel. De enige remedie tegen de jeuk is een duik in de woeste golven van de Caribische zee.

de eieren van de wereld
Het strand is hier prachtig en meestal verlaten. Hier voel je dat Tayrona een plek is met een ziel die veel verder teruggaat dan de koloniale geschiedenis. Voordat de Spanjaarden hier hun goudkoorts kwamen botvieren, werd dit gebied bewoond door de Tairona. Hun spirituele erfenis hangt nog altijd tussen de gigantische, ronde rotsblokken die her en der over de stranden zijn gestrooid, alsof een reus ze daar ooit nonchalant heeft verdeeld.

Maar voor de huidige bewoners van de Sierra Nevada, de Kogi, Wiwa en Arhuaco, zijn deze keien allesbehalve nonchalant neergelegd. Zij zien de bergen als de ‘vader’ en de oceaan als de ‘moeder’. Deze ronde rotsen zijn voor hen de ‘eieren van de wereld’: heilige ankerpunten op de grens tussen land en water. De stranden maken deel uit van de Línea Negra, een onzichtbare spirituele ring waar hun leiders nog altijd komen om de balans van de aarde te herstellen. Het is fascinerend: de Tairona bouwden hun dorpen vroeger in exact dezelfde ronde vormen als deze rotsen. Ze geloofden dat architectuur een echo moest zijn van de aarde, niet een breuk ermee.

de krokodillensprint
Die harmonie met de aarde waar de Tairona in geloofden, voelt hier ’s ochtends verrassend vanzelfsprekend. Mijn ritueel is aangenaam basaal. Ik word gewekt door een orkest van exotische vogels en een balkende ezel. Ontbijt is een verse kokosnoot, die door een behendige local uit de boom wordt gehaald terwijl ik nog sta bij te komen van mijn ‘douche’; een roestige pijp in de open lucht waar verrassend ijskoud water uit klettert. Het is de ultieme manier om wakker te worden, al is die rust van korte duur. De echte adrenaline kick volgt namelijk later op de dag. Samen met twee Oostenrijkers besluit ik een stuk van de route af te snijden door een meertje door te waden. We staan tot onze knieën in het troebele water als er een jongen aan de overkant begint te zwaaien en te brullen: “¡Cuidado! ¡Cocodrilos!”

Nu staat Tayrona inderdaad bekend om de kaaimannen die zich schuilhouden in de mangroven, maar op dat moment dacht ik vooral: dit is een grap. Toch voel je je op slag ongemakkelijk als je de bodem niet kunt zien en je de verhalen kent over de territoriumdrift van deze reptielen. Ik weet niet hoe snel ik naar de overkant ben gekomen, maar mijn sprint door het water zou niet misstaan op een olympische 100 meter horden. Het leedvermaak aan de overkant was groot, mijn hartslag nog groter.

de SWOT-analyse – de verloren stad versus de zee
Terwijl ik bij zonsondergang tegen een van die ronde rotsblokken geleund over de zee staar, denk ik terug aan die andere optie die ik had: de legendarische Ciudad Perdida trektocht. Voorafgaand aan deze reis stond die “Verloren Stad” met dikke letters bovenaan mijn lijstje. Het is een archeologisch mirakel, ruim 600 jaar ouder dan Machu Picchu. Maar na lang wikken en wegen (en wie mij kent, weet dat ik in mijn hoofd dan koortsachtig een volledige SWOT-analyse maak) liet ik deze kans voorbijgaan.

De logistiek is rigide, de kosten (600.000 pesos) fors en ik sprak in Cartagena reizigers die het omschreven als een “loodzware beproeving vol muggen en modder”. Bovendien was er die onderhuidse spanning tussen het leger en de inheemse stammen. De doorslag gaf echter de “hinnikende Brit”-factor: vijf dagen 24/7 de jungle delen met zo’n gezelschap? Nee, bedankt.

Nu ik hier zo aan de kust sta, weet ik dat ik de juiste keuze heb gemaakt. De mangroves en (vermeende) krokodillen maken het avontuur hier meer dan spannend genoeg. En hoewel ik waarschijnlijk precies dezelfde modderpaden en bloeddorstige muggen heb getrotseerd als de die-hards die diep de jungle in trokken voor de Lost City, heb ik hier één onverslaanbaar voordeel: de Caribische Zee. Elke keer als de jeuk of de klamme hitte me te veel wordt, kan ik simpelweg de golven in duiken om alles van me af te spoelen.

Deze kust van Tayrona is rauw, nat en onvergetelijk, maar na de nachten op een ‘krantenmatje’ begint de roep van de bewoonde wereld toch ook wel weer wat luider te klinken.

Ik ben klaar om de modder van me af te schudden en weer terug te keren naar de beschaving. Volgende stop op de planning: Medellín, de stad van de eeuwige lente. Ik ben benieuwd of die stad haar bijnaam eer aan doet, of dat het vooral de schaduw van Pablo is die er nog hangt.
¡Salud!

Plaats een reactie