Vanuit Salento zak ik af naar Cali, de broeierige salsastad waar de sluitingstijdenwet de Ley Zanahoria wordt genoemd. De ‘wortelregelgeving’ dus, want je moet blijkbaar zo saai als een wortel zijn als je om drie uur ’s nachts al naar huis wilt. Wat een contrast met mijn volgende stop: Popayán, la Ciudad Blanca. Hier regeert de rust. Veel meer dan wat ‘rondslipperen’, gebouwen bekijken en uittesten welke panadería de lekkerste broodjes heeft om die vervolgens met koffie op het plein op te peuzelen, doe ik niet. Het is een stad vol studenten, cafés en een ingetogen sfeer, al zijn ze druk met de voorbereidingen voor Semana Santa. Dit jaar is de herdenking beladen; precies dertig jaar geleden stortte het dak van de kathedraal in bij een aardbeving, met als gevolg honderden doden.

sectie tuberculose
In het bergdorpje Silvia, 50km verderop, tref ik op dinsdag een gezellige drukte. De traditionele Guambiano-bevolking komt uit de omliggende dorpen om hun spullen te verhandelen. Ze hebben hun eigen taal en kleding, en ze vinden mij een absolute reus. De markt is deels buiten, deels in een grote hal waar ik het bordje ‘section Tuberculose’ met de beste wil van de wereld niet kan matchen met de zeep en tandpasta die er liggen. Ik krijg spontaan fruit en empanadas aangeboden en als ik vraag of ik ook wat empanadas mag maken heb ik natuurlijk de lachers op m’n hand. Het is niet moeilijk, maar de productie gaat rap omlaag doordat ik veel langzamer ben en ze bovendien een stuk minder mooi worden. De rij wachtenden zwelt aan en ik laat het ambacht dus al snel weer over aan de vakman.
wachters van vulkanisch gesteente
De reis naar San Agustín voert over wegen die me af en toe doen slikken; na het zien van een ambulance die over de kop was geslagen, begrijp ik ineens waarom de mensen hier een kruisje slaan bij vertrek. Ik word op de ‘hoofdweg’ bij de afslag naar San Agustín op vriendelijke wijze uit de bus gezet en de laatste paar kilometers leg ik af achterop de motor, met rugzak en al. Ik heb een kamer in haciënda Anacaona, gelegen buiten het plaatsje en midden in de heuvels; prachtig huis, nog mooiere tuin en uitzicht over de valleien welke door de rivier Magdalena gesplitst worden. Bovendien overal hangmatten, een paar lieve honden en een tamme papegaai die gezellig mee schommelt op je schouder (en denkt dat m’n oorbellen eetbaar zijn).
Ik vergaap me aan de meer dan 500 beelden en tombes waar de regio om bekend staat. Achtergelaten door een naamloze beschaving die hier tussen de 1e en de 8e eeuw bloeide. Deze sculpturen van de San Agustín-cultuur, vaak afgebeeld met jaguartanden en arendskoppen, waken al eeuwen over hun doden. De precisie waarmee deze sjamanen en krijgers zijn vormgegeven, terwijl de makers toen natuurlijk geen ijzeren gereedschap hadden, dwingt respect af. Je voelt de spirituele lading van deze plek; het is een openluchtmuseum waar de dodencultus van een vergeten volk nog altijd tastbaar is.
De mystiek op de Mesitas is dus absoluut indrukwekkend, maar mijn mooiste herinnering is toch de rit te paard. Samen met een gids dwaal ik uren door de prachtige valleien. Halverwege moeten we schuilen voor de stortregen en dit doen we in een ‘openluchtfabriekje’ voor suikerriet. Ik zie hoe de blokken panela ontstaan en snoep volop van de kokende karamel die ik laat afkoelen aan een stok in het koude water van de mallen. Ik hoop maar dat de suiker alle bacteriën doodt.
la chica del cable
Mijn enige stress is het feit dat mijn iPhone kabeltje opeens uit twee delen bestond. In een land waar de wandelende ‘minutos-verkopers’ – mensen die mobiele telefoons aan kettingen op hun fiets hebben hangen – de dienst uitmaken, is een vervangend kabeltje onvindbaar. Achterop de motor bij de zoon van de hacienda gaan we alle opties af, totdat ik bekendsta als la chica del cable. Uiteindelijk helpt ‘de nerd van het dorp’ me. Hij kijkt me niet aan, maar geeft me met een schuchtere glimlach een gerepareerde en werkende kabel terug. Ik betaal de 30.000 COP met plezier aan zijn commerciële moeder.
slangen in de semi-woestijn
Ik reis ik door naar de Deserto de la Tatacoa, een semi-woestijn van rood en grijs zand. Ik beland in een uiterst basic guesthouse waar het ontbijt verrassend genoeg bestaat uit ei met waterige chocolademelk. De logica van het ontbijt met de rondlopende geiten en het aanlokkelijke bordje ‘yoghurt’ aan de weg ontgaat me volledig. Samen met een stel trek ik het landschap in met gids Pablopedro. Shaun, de Zuid-Afrikaan van het stel, spot werkelijk alles: uiltjes, schorpioenen en kolibries. Ik heb dus de luxe van twee gidsen, en als ik hoor dat er ook slangen zitten, ben ik daar maar wat blij mee…
zondagochtendgeduld
De reis richting Bogota begint op zondagochtend om 7.00 uur. Dankzij een lift van een tuktuk sta ik vroeg op het centrale plein van Villavieja voor de bus naar Neiva. Maar ja, de minibus vertrekt pas als hij vol is. Ik dood de tijd door me te verbazen over een spuuglelijk papier-maché beeld van een soort dinosaurus-beer, de hoeveelheid biertjes die een oude man op dit vroege tijdstip al wegtikt, en de gratis refill van de rijstemelk die naar kokos smaakt.
De planning voor rit naar Bogota was in totaal zo’n 6 uur, maar ik kom uiteindelijk pas einde dag aan. Ik vind een leuk boutique hotelletje in de wijk La Candelaria, met ook nog eens heerlijke warme douche, goed bed, welkoms biertje en enorm behulpzame en zorgzame mensen. ’s Avonds komt de buurt me wel wat onguur over, er wordt ook meteen op straat gevraagd of ik cocaïne willen kopen. Euhm, nee, ik wil slechts wat eten. Het is even wennen na de weken van redelijk onbezorgd rondreizen. Gelukkig beland ik snel en veilig in een restaurant dat gespecialiseerd is in champignons. De niet-magische variant welteverstaan. Bij daglicht ziet alles er gelukkig prettiger uit, al volg ik nu trouw de ongeschreven Bogota regel: nooit zomaar een taxi aanhouden op straat, altijd gebruikt maken van geregistreerde ritten.
Op naar Villa de Leyva voor de laatste etappe!
