van Andes-modder naar de Big Apple

voorwoord: een latte en een tijdscapsule

Soms heb je van die weekenden waarin de wereld even heel klein wordt, maar je gedachten juist de oceaan oversteken. Terwijl ik met een latte in m’n hand genoot van de laatste reisverhalen van lieve vrienden, die na Peru en Ecuador ‘en passant’ ook nog even Colombia aandeden, dwaalden mijn gedachten dertien jaar terug. In 2013 was ik ook in Bogotá en in Villa de Leyva. Ik, mijn rugzak en de ongepolijste energie van een land dat zichzelf aan het herontdekken was. Ik kon het niet laten: in plaats van me te bekommeren om de werkgerelateerde taken die lagen te wachten, ben ik in de krochten van mijn Mac gedoken om die oude verslagen op te sporen. Hieronder het slotstuk van die reis. De rest van de verhalen ga ik ook nog boven water toveren – stay tuned!

april 2013 – het laatste deel van mijn reis door colombia – waar hagelbuien, koloniale devotie en een NY bliksembezoek samenkomen.
Het is een dag van ultieme contrasten. In de ochtend sta ik nog oog in oog met de volumineuze proporties van Fernando Botero. Botero schonk meer dan 200 werken aan de stad onder de strikte voorwaarde dat de toegang tot zijn museum voor iedereen altijd gratis zou blijven. Kunst is hier geen elitair tijdverdrijf, maar een publiek bezit. In een prachtig koloniaal herenhuis leer ik dat ‘dik’ een relatief begrip is. Botero spreekt zelf liever over ‘volume’. Voor hem is de vergroting van vormen een manier om de sensualiteit en de essentie van een object te vieren. Terwijl ik tussen de ‘volumineuze’ Mona Lisa en de zwaarlijvige fruitmanden loop, voel ik de tederheid waarmee hij naar de wereld kijkt. Zelfs de meest alledaagse objecten krijgen bij hem een soort monumentale status.

Toch zal er niet snel een Botero boven mijn eigen bank hangen. Hoezeer ik zijn visie ook waardeer, ik vind dat ik met mijn eigen ronde vormen al meer dan genoeg ‘volume’ aan mijn leven toevoeg. Dat mijn waardering voor volume die dag nog flink op de proef gesteld zou worden, wist ik toen nog niet. Een paar uur later verruilde ik de artistieke sereniteit voor een bejaard minibusje. Het was in Bogotá ongebruikelijk warm voor haar 2600 meter hoogte, maar zodra we koers zetten naar het noorden, richting Villa de Leyva, besloten de weergoden dat een dramatische entree passender was.

een rijstkoker op wielen
Het onweer barst los met een tropisch geweld. Terwijl hagelstenen op het dak kletteren en de ruitenwissers een moedige, maar volstrekt zinloze poging doen het water te verdrijven, wordt de link met Botero onbedoeld tastbaar. Binnenin ontstaat namelijk een soort rijstkoker-effect door de beslagen ramen en de adem van dertig passagiers die, net als de figuren op de schilderijen, wel erg dicht op elkaar gepakt zitten. In dit ‘volumineuze’ gezelschap is mijn enige zorg mijn rugzak, die achterop in de regen ligt te weken. (Spoiler alert: mijn vrees voor een vochtige garderobe was volledig terecht).

Maar zoals dat gaat in Colombia: zodra de regen stopt, verschijnen de verkopers. Voordat de chauffeur weer gas kon geven, werd er op de ramen geklopt. Empanadas, snoep, fruit; het busje zat al stampvol, maar in de tassen van de passagiers is altijd ruimte voor meer. De chauffeur besloot de verloren tijd in te halen met een rijstijl die suggereerde dat hij blind vertrouwde op de rozenkrans aan zijn achteruitkijkspiegel, al leek dat ding mij persoonlijk onvoldoende bescherming tegen de wetten van de fysica. Elke bocht werd genomen met een snelheid die mijn eigen ‘volume’ op pijnlijke wijze tegen het beslagen raam drukte, waardoor ik voor de passagier naast me plotseling wel héél erg tastbaar werd.

de heilige, gele koorts
Villa de Leyva is een verademing. Van 7 miljoen zielen naar 10.000. Het dorp voelt als een tijdcapsule, gecentreerd rond de Plaza Mayor, een van de grootste pleinen van Zuid-Amerika. Grove, ongelijke keien worden omringd door lage witte huizen en een oude kerk. ’s Avonds zit men op de trappen en drinkt een biertje of jugo. Er is altijd wel iemand die muziek maakt; variërend van traditionele folklore tot creatieve Pink Floyd en Stones covers. Mijn favoriet is een jongen met saxofoon, rastahaar en een mega zonnebril. Er hangt een goede sfeer en het schaars verlichte plein met de donkere bergen erachter maken het extra bijzonder.

Tegelijkertijd neemt de ‘gele koorts’ toe: overal zie je de gele voetbalshirts en op dinsdagavond om 19:00 uur staan de televisies buiten. De passie is tastbaar. Tot en met de laatste minuut blijven ze erin geloven, maar Venezuela maakt het enige en beslissende doelpunt. Hoewel verloren, blijft de trots intact; ze waren immers al geplaatst voor het WK. De jongen met de saxofoon zet nog maar eens vol in op ‘You Can’t Always Get What You Want’.

De volgende avond is er een mis in de kerk en is men druk met de voorbereidingen voor de beeldenoptocht; de gele voetbalkoorts glijdt moeiteloos over in Semana Santa-koorts. De pasos (zware beelden) worden versierd met bloemen en glimmende doeken. Wanneer ze door de straten worden gedragen door mannen die dit als hun hoogste eer beschouwen, merk je dat devotie hier echt in elke porie zit. Het is een soort collectieve hartslag die teruggaat naar de Spaanse koloniale tijd. De geur van wierook blijft nog even hangen tussen de witte muren. De generale repetitie lijkt geslaagd.

Overdag schijnt de zon volop en met een lekker windje is het heel aangename. De bougainville weerkaatst op de wit geverfde huizen en ik bedenk dat Bløf met het nummer ‘Bougainville’ precies de juiste snaar raakt: het is de stilte die me zo bevalt. Het is een toeristisch plaatsje, maar tegelijk erg gemoedelijk. Iedereen doet wat hij moet doen, wat meestal bijzonder weinig lijkt te zijn.

Casa Terracota – gebakken uit de grond
Iets buiten het stadje ligt Casa Terracota, het levenswerk van architect Octavio Mendoza Morales. Hij wilde bewijzen dat je met de vier elementen (aarde, lucht, water en vuur) een paleis kunt bouwen. Het huis is niet gebouwd; het is letterlijk in situ gebakken als één groot stuk aardewerk.

Er gaat een anekdote dat de lokale bevolking hem voor gek verklaarde. Octavio leefde maandenlang als een ‘klei-heremiet’ op het terrein. Tijdens het bakproces van het huis bereidde hij zijn eigen maaltijden in de hoeken van wat later de woonkamer zou worden. Hij at letterlijk uit de oven die zijn huis aan het creëren was. Hoewel het bedoeld was om in te wonen, ademt het huis volgens hem ‘te veel’, waardoor het nu vooral een monument is voor de menselijke scheppingsdrang.

Op de terugweg loop ik langs een klein vegetarisch restaurantje. Naamloos en pretentieloos, maar alle tafeltjes zitten vol. Halverwege loopt er een oude, tengere vrouw binnen met bosjes geurende kruiden. Ze woont in de heuvels nabij en schijnt elke dag met haar verse oogst door het dorp te lopen. Legio restaurantjes zijn haar vaste klant. Mooi om te zien.

een bliksembezoek aan de Big Apple
Via een laatste stop in Bogotá, waar ik bij La Puerta Falsa (sinds 1816!) snel nog een legendarische tamale scoor, vlieg ik de nacht in. Mijn terugvlucht heeft een tussenstop van één dag in New York. Dankzij een piloot met haast en een fijne upgrade naar Business Class sta ik een uur eerder dan gepland, maar uitgerust, op JFK.

New York heeft in de vroege ochtend een heel eigen soort eenzaamheid. Terwijl ik door een nog verlaten Washington Square Park loop, besef ik hoe bizar het eigenlijk is. Eerder nog tussen de heiligenbeelden en de modderige heuvels van de Andes, nu tussen de eekhoorns en de ontwakende hondenuitlaters van Manhattan. De temperatuur is net boven het vriespunt, dus ik pas de ‘laagjestechniek’ toe: ik heb letterlijk al mijn kleding over elkaar heen aangetrokken, dit om het gebrek aan een jas te compenseren. Goed werkend, al is het verre van fashionable.

Ik geniet van een ontbijt bij mijn favoriete tentje in Soho en lees de krant in Bryant Park, een fijn stukje groen tussen de wolkenkrabbers. Verder loop ik simpelweg uren door de stad om de sfeer en energie op te slurpen. Ik check ook nog even hoe ver men is met het 1WTC (al blijf ik Freedom Tower een mooiere benaming vinden). Het is nog niet helemaal af, maar met 104 verdiepingen ontzagwekkend hoog.

Ik praat wat met een man die ook een foto probeert te maken. Hij leert me dat het van dezelfde architecten is als de Burj Khalifa. Alles komt in perspectief wanneer je hoort over de plannen voor de Kingdom Tower in Saudi-Arabië, die nog veel hoger moet worden. De drang naar hoger, groter en duurder staat in schril contrast met het kruidenvrouwtje in Villa de Leyva. Het duizelt me.

Moe, maar met een hoofd vol verhalen én met een rugzak die eindelijk weer droog is, arriveer ik ‘s avonds weer op JFK. Het was een reis voor in de boeken. Op naar Nederland.

nawoord: Nu, dertien jaar later, voelen die herinneringen weer even vers als de geur van die Colombiaanse bergkruiden. Dankjewel M&M, daar hebben jullie op afstand voor gezorgd.

Plaats een reactie