Medellín. De stad van de “Eeuwige Lente”. Een bijnaam die bijna poëtisch klinkt, totdat je je realiseert dat deze vallei decennialang de onbetwiste hoofdstad van de wereldwijde cocaïnehandel was. Het is de stad die onlosmakelijk verbonden is met Pablo Escobar, de man die met zijn ‘clean money’ (een eufemisme van jewelste) doodleuk op nummer vijf in de Forbes-lijst van rijkste mensen ter wereld stond.
de kille wiskunde van het kartel
Terwijl ik door de straten dwaal, ontkom ik niet aan de kille cijfers van de geschiedenis. Men vertelt me hier dat de productie van een kilo wit goud destijds zo’n $3.000 kostte. Zodra diezelfde kilo de grens van de VS overstak, explodeerde de waarde naar $150.000. Met een productie van 20 ton per dag ( ja, je leest het goed!) hoef je geen econoom te zijn om de duizelingwekkende rekensom te maken.
Vandaag de dag kun je in Medellín op elke straathoek een ‘Escobar-tour’ boeken. Een bizar fenomeen waarbij de ellende van een heel volk is omgezet in een commercieel exportproduct. Ik bedank vriendelijk. Reizen is voor mij leren en begrijpen, maar niet het verheerlijken van een litteken dat nog altijd niet helemaal is geheeld.
gordas y gordos – de volumes van Botero
In plaats daarvan kies ik voor een andere Colombiaanse grootheid: Fernando Botero. Wat Gabriel García Márquez is voor de literatuur, dat is Botero voor de beeldende kunst. Ik slenter in de namiddag over de Plaza Botero, een surrealistisch openluchtmuseum met ruim twintig bronzen beelden. Het is een heerlijke verzameling gordas y gordos; volumineuze figuren die met hun overdreven proporties een ode lijken te brengen aan de gulheid van het leven. Boterismo. Het heeft wel iets relativerends. Terwijl ik bij een straattentje wat eet en het lokale leven gadesla, probeer ik de energie te voelen van de stad die zo’n donkere periode heeft gekend.
Toch blijft Medellín voor mij (dit keer?) een vluchtig hoofdstuk. Mijn vizier staat op scherp voor de Zona Cafetera. Het plan, voor zover ik dat woord in mijn vocabulaire heb, is drastisch gewijzigd na een gesprek in de bus. Een koppel vertelde zulke aanstekelijke verhalen over Salento, een dorpje op 2000 meter hoogte, dat ik mijn verblijf in deze stad inkort. Ik verlang naar de wereld van koffieplantages, naar de natuur die hier legendarisch schijn te zijn, en naar de mannen met hun poncho’s en rubberlaarzen. Weg van de stadse hectiek, op naar de frisse berglucht.
Salento, here I come.
