bootcamp – hoogtemeters in de quindio vallei

Salento dus. In het hart van de Colombiaanse koffieregio, mooi gelegen in een overwegend groen landschap. De perfecte remedie tegen een overvol hoofd, maar een aanslag op de kuitspieren.

de dwangbuis van Maria Helena
Ik logeer in Posada del Cafe, een klein guesthouse aan het einde van de Calle Real dat wordt gerund door Maria Helena. Maria is zo’n vrouw die de wereld een stukje zachter maakt. Bij aankomst blijkt het hemelwater al 36 uur onafgebroken naar beneden te kletteren. Omdat ik natuurlijk geen regenjack heb ingepakt (want: Zuid-Amerika is toch altijd warm?), sta ik te vernikkelen in mijn dunne shirtjes. Maria Helena aarzelt geen seconde: ik krijg een fleece te leen en een extra deken. Geen modern dekbed, maar van die authentieke, loodzware kriebeldekens die zo strak rond het matras zijn geslagen dat het geheel de sfeer van een dwangbuis ademt. Maar eerlijk? In de frisse berglucht van de Andes is die zware wol op je schouders best fijn.

Mijn ritme is hier snel gevonden: schommelen op het uitzichtpunt na het beklimmen van de 283 treden (een prima warming-up voor de rest van de week), een zwarte koffie in de hand en het geluid van de kerkklokken beneden in het dorp als soundtrack bij de ondergaande zon. Mi casa is perfect gelegen!

melk, modder en de reuzen van Cocora
De volgende ochtend hijs ik mezelf om half acht in een Willys MB. Deze iconische jeeps uit de Tweede Wereldoorlog lijken hier het levensbloed van de regio. Ze worden tot het absurde toe volgeladen. De ‘Yipao’ wordt hier zelfs als meeteenheid gebruikt, een yipao staat gelijk aan de hoeveelheid die in zo’n jeep past, denk zo’n 25 zakken koffiebonen of sinaasappelen. Er schijnt ook elk jaar een yipao parade te zijn waarbij volgeladen opgepimpte jeepies op de twee achterwielen door het stadje Armenia sjezen, bestuurt door de stoere mannen met poncho’s en rubberlaarzen. Deze mannen zie je hier natuurlijk overal, en na het zware werk op het land vermaken ze zich met bier en pool tafels in de twee kroegen van het dorp.

In de Valle de Cocora begint het echte werk. Er staat zo’n zes uur voor de wandeling en hij start bedrieglijk eenvoudig door glooiende weilanden. Het pad is wat modderig, maar nog heel goed te doen. Af en toe moet ik uitwijken voor paarden die zwaar beladen zijn met grote metalen tonnen vol verse melk. Een half uurtje verderop kom ik inderdaad de producenten zelf tegen: groepen koeien die enkel een beetje verstoord opkijken wanneer ik passeer. So far so good en het biedt volop fotomomenten van die surrealistische Palma de Cera. Deze waspalmen kunnen wel 60 meter hoog worden en steken als dunne spelden door de mistflarden heen. Mooi! Historisch feitje: De waspalm was vroeger cruciaal voor de katholieke traditie van Palmzondag, totdat men zich realiseerde dat de boom bijna uitstierf. Nu is het een beschermd natuurmonument, en terecht!

Ik ben blij met m’n keuze en stiekem ook wel een beetje trots dat ik hier toch maar weer mooi in m’n eentje rondloopt. Echter, zodra het prachtige, ook een beetje mysterieuze, nevelwoud begint, wordt het werken. Het pad verandert in een glibberige hindernisbaan van aarde en stenen. Men heeft over de riviertjes een soort hangbruggen gespannen. Gelukkig zit er meestal een kabel langszij voor houvast, want een held op grote hoogte ben ik niet. Op een gegeven moment neem ik een verkeerde afslag en loop ik letterlijk ‘bovenlangs’ in plaats van langs de rivier. De weg terug naar beneden is verre van soepel; acrobatiek is nooit mijn sterkste punt geweest. Zonder een andere toerist in de buurt klauter ik op een weinig elegante manier naar beneden. Ik ben ’s avonds weer wat blauwe plekken rijker, maar ik ben in elk geval op het pad beland en niet lager in het rotsige riviertje.

Bij Acaime is een punt waar je wat kunt drinken, bijkomen, en de vele kolibries bekijken, maar nadat ik met mijn Pelleboer blik naar de hemel heb gekeken besluit ik meteen door te lopen. Dat wil zeggen, de berg op, met als doel een uitzicht zonder al te veel wolken. Het hoogste punt is op 2860 meter en aldaar inderdaad, geheel volgens plan, een prachtig uitzicht. Eenmaal weer beneden vervolg je dan je weg door de vallei en kom je weer bij beginpunt uit. Daar staan dan weer een Willy met een bereidwillige chauffeur op rubberlaarzen klaar, ze weten precies hoe lang de ongetrainde toeristen erover doen.

Negro en de kunst van het weigeren
Omdat ik blijkbaar nog niet genoeg melkzuur in mijn kuiten had verzameld, besluit ik hier ook een rit te paard te maken. Mijn gids kijkt me met een kennersblik aan en belooft me een “groot en pittig” paard. Over de definitie van ‘groot’ valt te twisten, maar pittig was de driejarige ruin genaamd Negro zeker. Stapvoets bleek niet in zijn vocabulaire voor te komen; Negro had een voorkeur voor een tempo dat het midden hield tussen een draf en een zenuwachtige dans. Daarbij had hij een nogal selectieve lijst met aartsvijanden: honden, koeien en vooral water. Dat is op zijn zachtst gezegd onhandig in een landschap dat gedomineerd wordt door loslopende erfhonden en kabbelende riviertjes die je moet doorkruisen terwijl er toevallig een kudde koeien in de weg staat.

De rit verandert al snel in een bootcamp op hoeven. We klauteren door steile, smalle geulen vol glibberige modder en losliggende stenen. Dat arme Negro geen benen heeft gebroken en dat we samen heelhuids boven (en vooral: weer beneden) kwamen, mag een klein wonder heten. Het was in elk geval zeker niet te danken aan mijn wanhopige begeleiding of technische aanwijzingen; het was Negro’s eigen routine die ons redde.

Zelfs in Salento zelf zijn sommige straten zo onwaarschijnlijk steil dat ik er bijna zeker van ben dat Baldwin Street in Nieuw-Zeeland dat officiële predicaat ‘steilste straat ter wereld’ onterecht draagt. Negro heeft nergens moeite mee, behalve dus met die eerder genoemde honden en waterovergangen. Op die momenten weigert hij abrupt elke medewerking. Na veel vijven en zessen, en de nodige bokkende protesten, vervolgt hij dan pas weer zijn weg.

Ik probeer me voor te stellen hoe Simon Bolivar hier in 1830 doortrok op de Ruta Nacional tussen Bogotá en Popayán. Als hij ook op een paard als Negro zat, snap ik wel waarom die onafhankelijkheidsoorlog zo lang duurde. Een ervaring rijker (en een illusie armer over mijn eigen kwaliteiten als amazone) zit ik ’s avonds aan een meer dan welverdiende forel. Ook de andere lokale specialiteit, patacones con hogao bij één van de vele kraampjes op het plein, gaan er prima in, evenals de vele verse vruchtensapjes met exotische namen die ik direct weer vergeet, maar die stuk voor stuk verrukkelijk zijn.

zwart goud
Je kunt de regio Quindío natuurlijk niet verlaten zonder de bron van onze dagelijkse verslaving te bezoeken. Colombia is tenslotte één van de grootste koffie producerende landen ter wereld. Op een uurtje lopen van het dorp ligt Finca El Ocaso en daar krijg ik een privétour van de eigenaar. Hij is een purist: vers gebrande Arabica drink je zwart, en niet anders. Geen melk, geen suiker, geen genade.

Terwijl het buiten inmiddels weer ouderwets hoost, wacht ik tot de bui overgaat in miezer. Ik luister ondertussen naar de trotse, gepassioneerde en deels onbegrijpelijke Spaanse verhalen van de koffiemeester. Drie koppen koffie later begin ik aan de terugtocht. Middels het nodige vals plat loop ik terug naar het dorpje. Helaas is er dit keer geen vintage Willy in de buurt om me een lift te geven. Maar zoals de titel al aangaf: het is goed voor de conditie. En die eindeloze, groene uitzichten over de vallei? Die vergoeden alle spierpijn dubbel en dwars.

’s Avonds op het plein zie ik Carlos nog even. De eigenaar van de paarden. Hij vraagt met een brede grijns of ik het nog steeds ‘fantastico’ vind.
“Tuurlijk Carlos,” antwoord ik, terwijl ik mijn stijve spieren voel. “Pittig, maar… Fantastico! Salut!”

coffee.png

Plaats een reactie