siem reap in motion

Ik denk dat het fair is om te zeggen dat Siem Reap in 17 jaar veranderd is. Hetzelfde gevoel overvalt me als wat ik eerder dit jaar in Ubud had. Zoveel groter, zoveel drukker. Er is nu een Pub Street in neon kleuren met lounge restaurants, pizza en cocktailbars. Karretjes met geroosterde tarantula’s, kakkerlakken of aanverwanten voor een dollar, met gratis foto. Maar… ook nog steeds eetkarretjes langs de rivier, met 25cm hoge plastic krukjes en een bordje eten voor 1 USD. Ik herinner me Siem Reap als een slaperig stadje, herstellende van de Rode Khmer horror maar met al wel heel wat toeristen voor de fantastisch mooie tempels, met een paar budget hotelletjes en wellicht een handvol luxe grote hotels.

Vandaag de dag is Siem Reap de uitvalsbasis voor bijna 2½ miljoen toeristen per jaar. Tja, hoeveel bezoekers kan een toch best kwetsbare historische attractie aan? Anderzijds is het toerisme hier de motor van de zeker nog hulpafhankelijke Cambodjaanse economie, en vergeleken met Thailand is het peanuts. Maar of er sprake is van een uitgebalanceerd beleid, met voldoende gereserveerd geld voor onderhoud en restauratie, ik heb zo m’n twijfels. Ik schat in dat 99% van de toeristen in Cambodja belanden in Siem Reap. Hierdoor heeft de nogal ongecontroleerde urbanisatie eromheen (dus Siem Reap) nog wel meer gevolgen. Lukraak neergezette nieuwe hotels (500+), eenvoudige huizen grenzen aan straten met neonverlichting, logistiek dichtslibbende stadsdelen, grondwaterpeil ellende en bergen afval. Als we ‘s avonds een galerie bezoeken zien we zelfs op de eerste verdieping een rat wegrennen, tot zo ver de hygiëne. Profiteert de bevolking van de opbrengsten of gaat alles naar buitenlandse investeerders? En zo kan ik nog wel even doorgaan. Het zijn de gedachten die bij me opkomen wanneer ik het ‘nieuwe’ Siem Reap zie vanuit de tuktuk of terwijl we er doorheen slenteren. Het goede nieuws is dat er veel tentjes zijn die duurzaamheid voorop hebben staan. Het zal een trend zijn, en misschien in werkelijkheid iets minder mooi dan omschreven, dat weet ik niet, maar toch vind ik het een prettig idee.

Zo ook ons hotel, overigens een oase van rust met een mooie kamer op drie stappen van een prachtig zwembadje, geflankeerd door Apsara danseressen en ‘s avonds mooi verlicht. Dank Valerie voor de super tip! Wij zijn samen met een ander koppel de enige gasten. Lin de manager is dan ook bezorgd. Het is hoogseizoen dus alle tien de kamers zouden bezet moeten zijn. Het hotel wordt geholpen door een Canadese stichting die de winst weer besteedt aan watervoorzieningen op het platteland. Het ziet er met de magere bezetting niet naar uit dat er veel waterputten bijkomen. Anderzijds – en ja, erg egoïstisch – is het wel een genot, want wat een heerlijke rust. Zwemmen rond middernacht met volle maan terwijl de bewaker alvast in zijn van stoelen gefabriceerde bed een dutje doet en Ginger, een van de twee huiskatten, een poging doet om onze kamer binnen te sluipen. Daarna een laatste drankje want het is nog heerlijk warm voordat we onder de klamboe kruipen.

Overdag met Suna onderweg, onze tuktuk chauffeur. Altijd lachend en vriendelijk, ook al testen we zijn flexibiliteit met regelmaat. De meeste toeristen volgen de zon. Koreanen, Chinezen, Fransen, Amerikanen, Japanners… Hun routes zijn zo uitgestippeld dat ‘de zon altijd goed staat voor de foto’s’ en touringcars en tuktuks zetten hen tegelijkertijd af bij de ingang van de betreffende tempel. Eigenlijk wel zo prettig die voorspelbaarheid want daarom goed omheen te plannen. Daarnaast, de Angkor regio beslaat zo’n 400 vierkante kilometer en er zijn nogal wat tempels.

We vinden al snel online de top 3 mooie, maar minst bezochte tempels. Nou zou je kunnen zeggen dat zodra dit online staat de waarheid al achterhaald is, maar feit was dat Suna bij twee van de drie nog nooit geweest is. Natuurlijk nemen we en passant de bekendere exemplaren mee, maar dan tegenovergesteld aan de ‘volg de zon route’. Tegen sluitingstijd lijkt de beste om de horde toeristen te vermijden. Ta Nei, te bereiken via een afgelegen zandweg, hebben we helemaal voor onszelf, minstens net zo mystiek als Ta Prohm. Kleiner, maar ook nog onderdeel van het oerwoud met tentakel achtige wortels en takken die de tempel lijken te willen vermorzelen. Mooie tekeningen van de boeddhistische mythologie, maar het is het geheel wat zo aangrijpt. Doodstil, alleen het geluid van duizend krekels. A ‘ruined ruin’, mooi!

Ook de kleine Preah Palilay tempel lijkt niet op de standaard route te liggen, ondanks de centrale ligging. We komen er enkel een Vlaming tegen en hij noemde het de ‘er komt geen kat tempel’. Toch vreemd eigenlijk, wij noorderburen zouden zeggen ‘er komt geen hond’ maar goed, het was er dus fijn stil. Zonder kat, zonder hond, met Vlaming maar die trok al snel weer verder.

Vlakbij is ook een pagode en we kijken toe hoe mensen hun water blessing ontvangen, zelfs de auto wordt af en toe meegenomen. Voorspoed en geluk. Dat trekt ons wel en navraag leert dat je niet perse een actief boeddhist hoeft te zijn om de natte zegen te ontvangen. Zo zitten we de volgende dag, gelukkig in alle stilte, ook op de trappen van de tempel. Suna helpt ons met het ritueel, althans, nadat hij de oude monnik nogal wreed uit zijn siesta heeft gehaald. Hopelijk heeft het geen effect op de uiteindelijke zegening… We offeren wierook, kaarsen en een paar dollar om vervolgens ons om te kleden en in sarong cq korte broek plaats te nemen. We hadden goed opgelet, zwemkleding met sarong was de dresscode. Het komt nogal nauw waar we plaatsnemen en dan volgt het gebed dat gepaard gaat met een flinke hoeveelheid water wat de monnik over ons heen giet, onderwijl van alles murmelend. Suna transformeert tot fotograaf en dan gaat hem gelukkig best goed af. Voelt als een soort belangrijk ritueel, vanaf nu zijn we beschermd door boeddha himself.

De andere dagen laten we onze Suna gewoon in z’n oorspronkelijke rol, die van tuktuk chauffeur en gaan we verder weg, naar de meer afgelegen tempels. Overigens verslapen we ons flink, komt denk ik door de haan van de buren. Die is in de war en begint om 2 uur s nachts met herrie maken, daar raken wij dan op onze beurt weer van in de war. ‘s Morgens vroeg is hij uitgekukkeld en stil. Suna wacht echter geduldig terwijl wij de, schijnbaar super gezonde, moringa thee laten smaken, gevolgd door een koffie bij het footprint café (ook weer een social enterprise maar vooral ook met goede koffie) om vervolgens dan eindelijk op weg te gaan.

Een van de verder weg gelegen tempels had ik 17 jaar geleden ook bezocht, de Hindu tempel Banteay Srei. Inmiddels mogen de brommertjes niet meer pal voor de tempel worden geparkeerd, maar is er een mega parkeerplaats met aanloop- en vertrekroute. De verfijnde en gedetailleerde reliëfs in het rode zandsteen zijn echter onveranderd en nog steeds prachtig.

Beng Mealea is een oerwoudtempel die 65km verderop ligt, ook hier is Suna nog nooit geweest maar we rijden er vlotjes naar toe. Wat een luxe, zo heerlijk in de buitenlucht zonder dat we er iets voor hoeven te doen. Ondanks de vroege start, 6.30 uur reeds onderweg, zien we bij aankomst ook de eerste bus Chinezen arriveren. Het enorme complex is zeker de rit waard, echter binnen de muren slechts een paar looppaden die binnen een mum van tijd stampvol raken met rond krioelende busgezelschappen inclusief selfie sticks. Verkeersopstoppingen op de smalle loopbruggen, dwars door het prachtige complex heen. Hier waren we dus duidelijk net iets te laat gearriveerd.

Natuurlijk nemen we op het laatst ook Ta Prohm en Angkor Wat mee, die kun je toch moeilijk overslaan. Men bleek die dag het 25 jarig bestaan van de openstelling van Angkor te vieren. Honderden mensen stonden gekleed in de drie kleuren rood, blauw en wit. Toespraken, fanfare en veel vlaggetjes. Het is al het einde van de dag en we maken maar een beetje lol met ze. Ze staan tenslotte daar al de hele dag in de brandende zon. 1,2,3 en dan de vlaggetjes in de lucht.

De avonden variëren nogal, het ene moment zitten we de inrichting van het toekomstige loft door te nemen, incl financiële en praktische consequenties, dan weer drinken we happy hour cocktails terwijl op groot scherm War of the worlds wordt vertoond (beetje surrealistisch), dan weer een voetmassage op straat; moeder en dochter die routineus maar effectief hun vingers diep neerzetten onder onze voetzolen.

Echter, de lunch zorgt voor enige regelmaat. Restaurant nr 19 – tip van Suna en niet van TripAdvisor – maakt zulke lekkere Amok en curries dat we er graag een stukje voor omtuktukken. Slechts acht tafeltjes onder een afdakje waar een andere moeder met dochter (en oma) op een gasbrander en een 9de tafeltje aan het kokkerellen zijn. Wèl is het zaak om naar haar te luisteren. Pepers zijn echt pepers, en als je daar op bijt dan heb je spijt… zo blijkt.

Samenvattend denk ik dat we de grote massa goed vermeden hebben, bij het heilig water bekken hadden we zelfs het rijk alleen, samen met de vogels. Verleidelijk om er in te glijden en af te koelen maar we houden het toch maar beperkt tot pootje baden. Voor je het weet word je opgepakt, het is tenslotte heilig, en dat wil je niet in een land met een vast en zeker flink corrupt rechtssysteem. Het zwemmen blijft dus beperkt tot ons zwembadje bij de kamer. Zeker ook niet verkeerd! We moesten ons dan ook even echt toespreken om verder te reizen, maar goed, het busticket was geboekt en Suna stond al klaar voor het laatste ritje richting busstation. Op naar Phnom Pehn waarmee we Khmer historie achter ons laten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s