een blinde sprint naar het Antwerpse pluche
Het begon allemaal met mijn leesbril. Althans, met het pijnlijke gemis daarvan, ondanks het feit dat ik die dingen inmiddels in werkelijk alle kleuren van de regenboog door mijn tassen heb slingeren. Terwijl onze tram zich kranig een weg baande om de zoveelste opbreking rond het Hofplein te ontwijken, merkte Joris met zijn typische kalmte op dat we toch wel een heel merkwaardige route leken te volgen. Pas toen ik een bril op mijn neus zette en de halteborden scherp zag, drong het tot me door dat we onderweg hadden moeten overstappen.
Wat volgde was een klasse-actie, al zeg ik het zelf, zij het van degene die de blunder überhaupt had veroorzaakt. Met tassen en al stormden we de tram uit, doken halsoverkop de metrobuis in en renden op topsnelheid door de hal van Rotterdam Centraal. We haalden de trein op de valreep. De ironie wilde dat Joris bij het plannen oorspronkelijk al een trein een uur later had geboekt, dus als we zijn schema hadden gevolgd, was er geen vuiltje aan de lucht geweest. Maar eerlijk is eerlijk, eenmaal neergeploft in de stoel geeft zo’n chaotische sprint me altijd het gevoel dat het weekend echt is begonnen. Het werk verdwijnt dan al snel naar de achtergrond.

In Antwerpen wacht ons een Airbnb-appartement van een buitenlandse meneer. De buren zijn La Chiquita, un supermercado latino. Al heeft het meer weg van een café, compleet met half dichtgetimmerde ramen en een pamflet op het raam waarop duidelijk wordt gemaakt dat er maximaal 20 mensen binnen mogen zijn. Wij nemen de voordeur ernaast. De lift die volgt is zorgwekkend oud en klein, maar het appartement zelf is onberispelijk ingericht en tegelijkertijd onberispelijk kil. De kanten gordijntjes hangen tot op de millimeter gelijk en de eettafel staat alvast pontificaal gedekt met glaswerk en glanzend servies, klaar om zo aan te schuiven. Een soort klinische toonzaal waar je vooral nergens aan wil zitten. Aangezien we sowieso geen enkele behoefte hadden om daar te eten, vluchten we snel naar buiten, richting Borgerhout.
slowcore tussen de poetsende senioren
De Roma blijft een bijzondere plek. We schuiven vooraf aan bij restaurant AMOR, direct naast de zaal. Altijd goed eten en toffe bediening; een strak geregisseerd concertmenu met seizoensgebonden bistrogerechten die binnen het uur op tafel staan. Wat De Roma echter écht uniek maakt, zie je pas als je achter de schermen kijkt. Ooit in de jaren twintig gebouwd als monumentale volksschouwburg en bioscoop, raakte het theater na de sluiting begin jaren tachtig zwaar in verval. De redding kwam hier niet van grote investeerders, maar van de buurt. Vandaag de dag draait het hele complex namelijk op een leger van ruim zeshonderd vrijwilligers, voor het merendeel senioren en gepensioneerden.
Het kloppend hart is de befaamde ‘vliegende brigade’, een ochtendploeg van zeventigplussers die dagelijks om negen uur stipt verzamelt met sterke koffie en verse koffiekoeken om het pluche te stofzuigen, koper op te poetsen en de zalen speelklaar te maken. Zelfs het eten voor de artiesten wordt soms door vrijwillige kookploegen bereid. Je zou kunnen zeggen dat dit theater fungeert als een warm sociaal vangnet van Borgerhout. Het poetst niet alleen het erfgoed op, maar houdt ook de eenzaamheid buiten de deur. Die warmte voel je zodra je binnenstapt. Het voorprogramma blijkt vooral de moeite waard om over te slaan, maar Spain neemt ons daarna op hun geheel eigen ingetogen, introverte wijze mee. Hoewel ik eerlijk gezegd slechts twee nummers herken, past hun trage, melancholische slowcore mooi bij het zachte rode pluche en de art-deco-ornamenten van de zaal.

de wrange schaduw van de spoorwegkathedraal
Zaterdagochtend strijken we neer op station Antwerpen-Centraal om de reis voort te zetten naar Parijs. We belanden met onze koffie midden tussen een schets- en tekenclub. Iedereen zit geconcentreerd met grote vellen papier en potloden te tekenen. Ik ben er een beetje jaloers op en besluit m’n aandacht te richten op het imposante station en de verhalen die erbij horen. Het station staat namelijk bekend als de Spoorwegkathedraal, en terecht. Architect Louis Delacenserie had nog nooit van zijn leven een station ontworpen toen hij deze opdracht kreeg. Hij maakte er een allegaartje van: een mengeling van neo-renaissance, barok en art nouveau, bekroond met een koepel van 75 meter die geïnspireerd is op het Pantheon in Rome. Hij liet maar liefst vierentwintig verschillende soorten marmer en natuursteen aanrukken om te laten zien wat de Belgische steengroeven in huis hadden. Daartegenover staat de enorme monumentale industriële overkapping van ingenieur Clément Van Bogaert. Omdat staal uitzet in de zomer en krimpt in de winter, rusten de bogen op speciale pendelgewrichten en rollen, waardoor het hele dak letterlijk met het weer meeademt.
Maar terwijl ik dit allemaal lees, voel ik toch wel een beetje het schaamrood naar mijn kaken stijgen. Hoe kan het dat ik toch al heel wat keren door deze majestueuze stad heb gelopen zonder ooit te weten op welk fundament dit alles is gebouwd? De haast vorstelijke luxe van de ‘Spoorwegkathedraal’ werd namelijk onder impuls van koning Leopold II gefinancierd met koloniale winsten, rechtstreeks afkomstig uit de rubber- en ivoorwinning in Congo.
Niet het station alleen, want het koloniaal kapitaal zit diep in het weefsel van de stad gebeiteld. Vlak buiten de stationsdeuren is het hart van het Diamantkwartier. Dat Antwerpen de wereldhoofdstad van de ruwe diamant werd, is natuurlijk te danken aan een eeuwenoude handelsgeest, maar ook voor een groot deel aan de mijnen van Kasaï. Via Leopolds concessiemaatschappij Forminière werd de Congolese bodem leeggeschraapt en vloeiden miljoenen karaat aan ruwe edelstenen decennialang exclusief naar de slijperijen en beurzen rondom het station.
Zelfs die gemoedelijke dierentuin, direct achter perron 1, ontkomt niet aan de koloniale logica. Koloniale ambtenaren en officieren stuurden exotische dieren als relatiegeschenken per Congoboot naar Antwerpen, maar de menselijke variant was nog wranger. Tijdens de Antwerpse Wereldtentoonstelling van 1894 liet Leopold II een menselijke dierentuin optrekken. 144 Congolezen werden naar de stad gehaald om achter houten hekken het traditionele dorpsleven na te spelen voor nieuwsgierige westerlingen. Zeven van hen bezweken aan de Belgische kou en ontberingen. Hun namen zijn pas sinds 2023 vereeuwigd op een herdenkingsplaquette op de begraafplaats Schoonselhof. Daar waar ook het graf van onze held Herman de Coninck is.
operatie open hart – spoorweglasagne onder de historische fundamenten
Het station zelf ontsnapte in de jaren zeventig ternauwernood aan de sloopkogel en werd vervolgens via een huzarenstukje van formaat omgebouwd van een doodlopend kopstation naar een modern doorrijstation. Tijdens deze gigantische ingreep onder de naam Operatie Open Hart boorde men rond de eeuwwisseling twee enorme tunnelkokers dwars onder de historische fundamenten door. Om te zorgen dat het monumentale stationsgebouw niet instortte, werd het complete bouwwerk op hydraulische vijzels en honderden micropalen gezet, terwijl de treinen er pal bovenop gewoon bleven rijden. Zo verrees een ingenieuze spoorweglasagne met veertien sporen verdeeld over drie verdiepingen, waarbij een grote vide het daglicht diep naar beneden laat vallen tot op het onderste niveau.
Ik neem nog een sip van m’n koffie. Inmiddels wordt Joris vereeuwigd door rappe vingers met contékrijt. Knap! Ik kijk de hal in en besef nu pas dat midden in die monumentale, met dubieuze rijkdommen overgoten hal een moderne digitale kubus staat waarop wisselende beelden van sneeuwlandschappen worden getoond. Een bizar contrast. Terwijl het sneeuw- en ijsdek in de Alpen door de opwarming van de aarde met zo’n twintig procent is afgenomen, staat daar een flitsende reclamebox wintervakanties aan te prijzen. Met al die tegenstrijdigheden in het hoofd stappen we op de trein richting het zuiden, de tekenaars met hun potloden en krijt achterlatend.

buiten de deuren van de kunst – van gesloten deuren tot meesterlijke steigers.
In Parijs schuift het vertrouwde gevoel direct aan. We willen naar Lafayette Anticipations, een kunststichting in een negentiende-eeuws pand dat door Rem Koolhaas werd getransformeerd met een toren van bewegende vloeren van staal en glas. Helaas zitten ze precies tussen twee tentoonstellingen in en valt er weinig te zien, behalve dan een boekpresentatie van Philippe Jarrigeons Rocher Fatal, al schiet mijn Frans daarvoor toch echt schromelijk tekort. We lopen dus maar door, bekijken de luxe etalages van Le Marais en belanden even later bij het in steigers gehulde Centre Pompidou. Het oogt als een gigantische mechanische rups die zich geduldig heeft ingesponnen in een cocon van industrieel buizenwerk, in afwachting van zijn wedergeboorte in 2030. Eigenlijk heel mooi en misschien wel onbedoeld (of bedoeld?) dé openluchtinstallatie van de stad. Niets geen Christo, doek en touw, gewoon staal, buizen en geometrie.

culinair schuilen voor een Parijse veldslag
Uiteindelijk strijken we neer in ons favoriete restaurant, waar Badr-Eddine ons met een brede glimlach herkent. We krijgen een mooi tafeltje bij het raam en trakteren onszelf op het ‘signature’-menu, uiteraard met bijpassende wijnen. Net op het moment dat we de eerste slok nemen van onze vieux pineau des charentes, een goddelijke amberkleurige réserve privée uit Chérac (een van de geheimen uit hun kelder), worden met luid geratel en vele verontschuldigingen de zware stalen rolluiken neergelaten. “Ça peut vite déraper”. Een voorzorgsmaatregel van de eigenaresse, vanwege de oplaaiende onrust op straat. De rest van de avond zien en horen we dus niets meer van de buitenwereld. Binnen wordt de sfeer echter direct wat intiemer. Het heeft wel wat en de keuken is, als altijd, geweldig. Echter, na het dessert moeten we toch echt weer naar buiten.

Dat laatste bleek makkelijker gezegd dan gedaan. We proberen het pand via de achterdeur te verlaten, maar we worden nog net op tijd tegengehouden door de bediening. Zij hadden al door het raampje gekeken en er is net een grootscheepse charge van de politie gaande. Een muur van zeker tachtig zwaarbewapende agenten dendert in formatie naar voren, jagend op de in het zwart gehulde groepen jongeren. Studenten, maar vooral doorgewinterde relschoppers en extreemlinks. Met name de laatste twee groepen lijken een dubieus genoegen te scheppen in de ontwrichting van de stad. Fraternité? Tja..
Feit is dat de straten blauw staan van de rookbommen en het traangas, vergezeld door eindeloze colonnes loeiende politiewagens en brandweerauto’s.
Overal liggen etalageruiten aan diggelen, waarbij de glasscherven zich mengen met de scherven van de legio vernielde bushokjes. Her en der laaien kleine straatbrandjes op. Bepaald geen ontspannen wandelingetje na een verfijnd diner, maar we hebben weinig keuze. De metro rijdt al uren niet meer en een taxi of Uber is natuurlijk nergens te bekennen. De vluchtende menigte rent bovendien precies in de richting waar wij heen moeten. Als we aan de restaurant brigide vertellen dat we naar la Bastille moeten, denken ze eerst dat we een grap maken. Nee dus. Men adviseert ons met klem om de tegenovergestelde kant op te gaan, maar dan komen we natuurlijk nooit aan en dus kiezen we voor een pragmatische tussenweg en lopen via Châtelet en Les Halles.
Ook daar is het een heksenketel. Nadat we in een paar nauwe stegen opnieuw tussen plotselinge charges belanden, besluiten we dat het verstandiger is om de bredere avenues op te zoeken. Er hangt inmiddels een zware, chemische nevel in de stad die absoluut niet gezond kan zijn. Het kan illusie zijn, maar mijn keel begint zeer te doen en mijn ogen zijn flink geïrriteerd. Gelukkig wordt het verderop al snel wat rustiger en tegen de verwachting in wandelen we uiteindelijk redelijk rustig en zonder kleerscheuren ons zolderappartementje binnen. Met Franse chansons op de achtergrond en een glas cognac in de hand val ik als een blok in slaap en pak ik een ononderbroken nachtrust van ruim negen uur. Ongekend!
ontwaken tussen smeulende leenfietsen en Japanse zen
De zondag begint heerlijk ontspannen, zoals het hoort. We slapen dus uit tot tien uur, waardoor we bij bakkerij Maison Landemaine arriveren als de laatste croissant aux amandes net voor onze neus wordt weggekaapt. Met een knapperige baguette op het gras van de zonovergoten Place des Vosges smaakt het ontbijt gelukkig niet minder goed. Vanaf daar wandelen we rustig naar La Bourse de Commerce. Onderweg toont Parijs zijn gehavende gezicht van de afgelopen 24 uur. Overal smeulen geraamtes van verbrande leenfietsen, ruiten liggen in gruzelementen en geldautomaten zijn vakkundig opengebroken. Tegelijkertijd gaat gek genoeg het straatleven stoïcijns verder. De terrassen zitten vol, iedereen stapt behoedzaam over het glas heen en een leger schoonmakers doet zijn best om de boel weer op te kalefateren.

Bij La Bourse de Commerce staat een enorme rij. We twijfelen, maar sluiten toch aan. Uiteindelijk dik de moeite en we hebben zoals gebruikelijk tijd te kort. Het voormalige beursgebouw herbergt een kunstverzameling van miljardair François Pinault. Ik heb er al eerder over geschreven. Pinault werkte samen met onze favoriete Japanse architect Tadao Ando om dit ronde monument in te richten met een gigantische cilinder van kaal beton. We bezoeken deze keer de fototentoonstelling Remember Me, samengesteld ter ere van tweehonderd jaar fotografie.

De Guardian was kritisch, maar we zijn het deze keer niet met hen eens. Wát een collectie weer, ongelofelijk. Onbekend werk, voor mij dus, daar waar amper iets over te vinden is, versus beroemde portretten, onder andere van Annie Leibovitz. Het portret van John Lennon en Yoko Ono pakt me. Lennon, zo naakt en kwetsbaar in foetushouding tegen haar aangeklemd, terwijl zij volledig gekleed en bijna onbeweeglijk op de grond ligt. En dan te weten dat die foto werd genomen op de ochtend van 8 december 1980, een paar uur voor hij werd doodgeschoten.
Een zaal verder volgt een andere, verrassende herkenning. Hiroshi Sugimoto wijdde decennia aan zijn Seascapes, een levensproject waarvoor hij de wereld afreisde om met sluitertijden van soms wel drie uur de branding te laten vervagen tot een volmaakt evenwicht van water en lucht. Drie jaar geleden zagen we diezelfde foto’s op het Japanse kunsteiland Naoshima. Daar hingen ze buiten tegen de kliffen van Benesse House, volkomen vogelvrij overgeleverd aan de zilte wind over de Japanse Binnenzee. En ja, Tadao Ando ontwierp destijds dat Benesse House. Dezelfde verstilde wateren hangen nu hier veilig binnen, strak uitgelijnd tegen de grijze ronding van Ando’s betonnen binnencilinder. Van de rauwe natuurelementen aan de Japanse kust naar een serene cocon midden in Parijs, met dezelfde architect om zich heen. Mooi!

de tijd stilgezet – 0812
Maar Ando bleek nog een heel andere rol te spelen deze zondag. Terwijl we een nieuw boekje van Photo Poche uitzoeken, neemt Joris me mee naar een andere hoek van de museumshop. Hij heeft al zijn hele leven een enorme fascinatie voor horloges, waarbij Parijs en Rolex nog een bijzonder hoofdstuk vormen. Zelf loop ik al zeker twintig jaar zonder iets om mijn pols, maar na precies negen jaar en elf maanden samenzijn krijgt hij het voor elkaar om dit te veranderen. Het passende model is gevonden. Een Cauny Ando, ontworpen door Tadao Ando zelf. Een stalen kast en wijzerplaat als een knipoog naar zijn betonarchitectuur, zonder cijfers of tierelantijnen, afgewerkt met saffierglas en voorzien van een Zwitsers binnenwerk. Op de achterzijde staat zijn signatuur gegraveerd, samen met mijn persoonlijke serienummer 0812. Ik vind hem zo mooi dat ik hem amper durf om te doen.
waarom je nooit een traangasgranaat mee naar bed neemt
Dat tastbare herinneringen soms een bizarre wending nemen, blijkt even later. Eerder op straat hadden we tientallen zware, zwarte schijven zien rondslingeren. Echt overal. Een voorbijganger, een heer in pak op leeftijd, raapte er een paar op. Joris, met zijn nieuwsgierigheid en romantiek, dacht dat het een bijzonder aandenken zou zijn. Een exemplaar was nog helemaal heel met een opvallend oranje ringetje in het midden, de andere twee waren zwartgeblakerd en roken penetrant naar verbrand rubber. Ik had zo m’n bedenkingen, maar hij had er in gedachten reeds een kunstwerk van gemaakt en dus stopte ik ze zonder er verder bij na te denken in mijn tas en wandelde er vrolijk de rest van de dag mee rond.
Na het avondeten lopen we terug naar ons appartement, waarbij we overigens opnieuw op charges, plunderende groepen en een parade aan politiewagens stuiten. Eenmaal op de kamer, terwijl de sirenes buiten weer beginnen te loeien, voel ik ze opeens weer in m’n tas zitten en haal ik de vondst tevoorschijn. Nog steeds hebben we beiden geen idee wat het nu eigenlijk is en dus vragen we AI om raad.
Het blijken palets lacrymogènes te zijn, de zwaargiftige submunities van meervoudige traangasgranaten. Zo’n huls breekt na het afschieten open in losse schijven die over de grond schuiven om razendsnel een dichte wolk gas te spuwen. Het omhulsel van polymeren en synthetisch rubber verklaart de penetrante schroeilucht. De waarschuwingen laten weinig aan de verbeelding over. Buiten het feit dat er eentje nog redelijk intact is (AI leert me dat de oranje cirkel rondom de opening het pyrotechnische ontstekingsmengsel is) is sowieso het gebiedende advies: Nooit mee naar binnen nemen en beslist niet met blote handen aanraken omdat het zwarte roet vol chemische resten zit. Oh ja, en raak vooral je gezicht niet aan, precies wat ik vlak daarvoor al had gedaan. Kortom, met prikkende ogen en een rood hoofd stuur ik Joris meteen naar beneden om zijn toxische souvenirs in een container op straat te deponeren. Handen wassen met ijskoud water is het advies, want warm water opent de poriën van de huid waardoor het gas alleen maar dieper doordringt. We slaan de douche dus maar even over. Achteraf voel ik me behoorlijk naïef, want een chemisch gasalarm op je kamer is wel het laatste wat je zoekt op 6-hoog zonder branduitgang.

zinken daken, cognac en een roodfluwelen thuiskomst
De week erna reist Joris terug naar Nederland en begint voor mij een drukke werkweek. Klantafspraken en onderhandelingen in troosteloze buitenwijken waar geen fatsoenlijke koffie te krijgen is (cq aangeboden wordt), versus een varende salonboot over de Seine met een Michelin ster menu. Uitgeserveerd op servies waar ik hebberig van word. Daar tussendoor twee dagen beurs met events. Kortom, vroeg de deur uit, ’s avonds laat terug. Elke avond sluit ik op ‘onze’ zolderkamer af met een dampende mok thee, een scheut cognac en een weids uitzicht over de Parijse zinken daken. Vlakbij schittert de vergulde Génie de la Liberté in het donker, in de verte flikkert de Eiffeltoren. ’s Ochtends vroeg vangt de Sacré-Cœur alweer de eerste vroege zonnestralen. Ondanks de korte nachten: het kan echt aanzienlijk slechter…

Aan het einde van de week stap ik op Gare du Nord weer in de trein richting huis. Het voelt haast vertrouwd, het rode fluweel van de oude Thalys-stellen. Hoewel de trein inmiddels onder Eurostar valt, roept die pluche bekleding nog altijd een soort nostalgie bij me op. En ik denk aan dezelfde rode fluwelen stoelen van De Roma. Het lijkt alweer zo lang geleden. Wonder boven wonder vertrekt de trein stipt op tijd en arriveert met slechts een kwartier vertraging op Rotterdam Centraal. Deze keer zet ik mijn leesbril meteen op mijn neus, wandel doelgericht naar de tramhalte en stap op de lijn die me in één moeite door vrijwel voor de eigen voordeur afzet.
