de dekenkist en het ritme van het nu

het Rogierplein in de dekenkist
Het uitzoeken van foto’s voor de komende familiedag is voor mij een gevaarlijke bezigheid. De tijd vliegt zodra ik de oude dekenkist opendoe en de verkleurde enveloppen en mapjes tevoorschijn komen. Tussen de stapels ongedocumenteerd verleden stuit ik op een nog niet eerder bekeken, handgeschreven envelop van mijn vader uit april 1986. Hij legde zijn reisjes altijd zorgvuldig vast, compleet met precieze data, locaties, bonnetjes en uitgebreide aantekeningen. Het leest als een reisblog avant la lettre, doordrenkt van zijn passie voor musea, goed eten en mooie wijn.

Mijn blik blijft hangen bij een foto van hem en Anja op het Rogierplein in Brussel, dé place to be natuurlijk. Ze zien er gelukkig uit en ik schrik als het besef binnenkomt dat deze foto slechts een paar weken voor zijn overlijden is genomen. Gelukkig hadden ze daar op dat moment geen enkel idee van.

Dat besef maakt de drang om echt in het heden te leven alleen maar sterker, hoe ingewikkeld ik dat af en toe ook vind. Daarbij zijn echte, diepe vriendschappen voor mij van onschatbare waarde. Het bewuste besluit om de tijd stil te zetten en echt tijd te maken voor elkaar, of dat nu tijdens een weekend in Brussel is of tijdens een trip naar Kopenhagen, is iets wat we vaker zouden moeten doen. Het voordeel van leven in Europa is dat alles dichtbij is.

verdwalen in de bloedhitte van La Défense
De aanleiding om in de Eurostar te stappen was dit keer niet puur ontspanning, maar het werk dat riep. Mijn vader was een keiharde werker en ik vrees af en toe dat ik die genen een-op-een heb geërfd. Het is een vlijtige eigenschap, maar zeker niet altijd de beste. Toch probeer ik er onderweg het mooiste van te maken.

Zodra je wegzakt in het dieprode pluche van de trein, weet je dat je ondanks het nieuwe logo eigenlijk in de vertrouwde Thalys zit. Terwijl het strakke Hollandse polderlandschap voorbijglijdt, bereid ik me voor op mijn afspraken in het zakendistrict van Parijs.

Het blijft indrukwekkend om de lange roltrappen te nemen vanuit het ondergrondse station en dan direct aan de voet van de Grande Arche naar buiten te stappen. Dit monumentale bouwwerk van glas en marmer stak deze keer scherp af tegen de strakblauwe lucht. Eenmaal bovengronds veranderde La Défense al snel in een betonnen doolhof. Zowel Google Maps als Gemini lieten me compleet in de steek. Op hakken en in de drukkende bloedhitte liep ik trap op en trap af, stuitend op blinde muren, grote kantoorpanden en roltrappen die dienst weigerden. Het leidde me in frustrerende rondjes en op tijd komen was er niet meer bij. Toch had de absurditeit van verdwalen in zo’n strak ontworpen, futuristische wereld ergens ook z’n charme, alle techniek ten spijt.

de universele taal van voetbal
Vrijwel direct na Parijs pakte ik opnieuw de trein. Wederom voor werk, dit keer onder het Kanaal door richting Londen. Geen rood pluche, wel vertraging. Ik verbleef in Spitalfields en Shoreditch, een buurt die inmiddels vertrouwd voelt. Het weer was opnieuw fantastisch warm. Het geeft een heerlijk gevoel als je met vrijwel geen bagage kunt reizen, zonder gedoe met paraplu’s of een jas. Wandelen met een verse kop koffie in de vroege ochtendzon is de fijnste manier om de stad in me op te nemen, via de straatjes met achttiende-eeuwse Georgiaanse herenhuizen richting St. Paul’s Cathedral en de wolkenkrabbers in het financiële hart van de stad. Deze keer waren er geen misleidende instructies en was ik ruim op tijd bij de klant. Het betere werk en een stuk minder cortisolverhogend.

Londen stond die dagen volledig in het teken van de voetbalgekte rondom de finales. Hoewel de Britten zelf niet op de mat stonden, leefde iedereen intens mee met ofwel Spanje, ofwel Argentinië. Of ik nu buiten liep of op mijn hotelkamer mails zat weg te werken, ik kon er simpelweg niet aan ontkomen. Uit de open ramen van de huizen en de volgepakte pubs golfden de emoties de straat op. Het gezamenlijke gejuich, het inhouden van de adem en de ontlading klonken overal doorheen. Uiteindelijk won mijn nieuwsgierigheid het van mijn gebruikelijke desinteresse. Dus ook ik zette de tv aan en zag hoe de teams de strijd aangingen. Zelfs met het overdreven Amerikaanse sausje van optredende artiesten erdoorheen moest ik toegeven dat voetbal mensen op een wonderlijke manier samenbrengt.

hopopslag, geuzestekerijen en kogels
De afsluiter van deze reisweken was een weekend Brussel met mijn goede vriendin. Deze keer niet met de trein maar met de auto, alias de Schmuck, want onderweg moest er nog een terrastafel worden opgehaald. We logeerden in het pasopgeknapte dakappartement van haar dochter, die op dat moment voor een paar maanden in Japan zat.

Het appartement bevindt zich boven op een voormalig opslag- en droogmagazijn voor hop. Vanaf het platteland in het Pajottenland werd het groene goud hier naartoe gebracht voor de vele brouwerijen rondom het kanaal. Om al die kilo’s geperste hopbalen te dragen en droog te houden, is het gebouwd met gietijzeren kolommen en stalen draagbalken. De grote binnenplaats was ooit de laad- en losplaats waar paard-en-wagens en latere vrachtwagens af en aan reden. Deze stenen put is nu omgevormd tot een groene oase, volgens Joachim onderhouden door een gepensioneerde boswachter die ergens in het complex woont. Mijn industriële hart gaat hier natuurlijk direct sneller van kloppen. Een lift van stoer blauwstaal, bracht ons naar de bovenste verdieping, waar een getekende vier met een cirkel eromheen liet zien dat we er waren.

Daar wachtte nog een stalen trap voor het laatste stukje naar het dak. Zo’n industriële roostertrap vol kleine vierkante gaten, waardoor je recht naar beneden de diepte in kijkt. Niet bepaald ideaal voor iemand met hoogtevrees, maar eenmaal boven ben je dat snel vergeten. Het dak is een wilde daktuin in wording vol hout en nog ongetemde planten, met een prachtig uitzicht over de Brusselse skyline.

In de verte zien we de robuuste, platte torens van de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal. De patroonheiligen staan gezamenlijk bovenop de Treurenberg. Het uitzicht rondom laat aan de andere zijde het vergrote ijzerkristal van het Atomium zien, misschien wel het meest iconische beeld van Brussel. Of zou dat toch het 60 cm kleine plassende jongetje zijn?

Dichterbij staat de Loodtoren. Voor mij onbekend, maar Joachim weet veel te vertellen. In deze bakstenen toren werden vroeger hagelkogels gemaakt op een manier die me haast ongelofelijk in de oren klinkt. Bovenin goot men vloeibaar lood door een koperen zeef. Tijdens een vrije val van zo’n 46 meter vormden de vallende loden druppels door de oppervlaktespanning vanzelf ronde bolletjes, om onderaan in een koud waterbassin direct te stollen tot munitie. Je moet een flinke dosis natuurkunde in je mars hebben om dat zo uit te rekenen. Eén rekenfout met de valsnelheid of de stollingstijd en je vist onderin geen kogels maar loden pannenkoekjes uit het water. De toren is al ruim zestig jaar niet meer in gebruik maar staat er dus nog overduidelijk. Tour à Plomb klinkt trouwens een stuk mooier dan Loodtoren.

brusselse taalhutspot – lost in translation
Sowieso grappig om te horen over de vertaalfouten die zijn gemaakt tijdens de verfransing van Brussel. Zo werd de familienaam Verdroncken onterecht gelezen als het werkwoord verdronken, wat leidde tot Étang des Enfants Noyés. En ene meneer Wouter werd op de landkaart definitief veranderd in een wild bos:

de Wilde WoutWouterstraete werd Rvrunte, het middelnederlandsete voorbeeld vond ik het verhaal van de Vruntstraat. Zo werd de familienaam Verdroncken onterecht gelezen als het werkwoord verdronken en dus werd het Étangs des Enfants Noyés. En ene meneer Wouter werd op de landkaart definitief veranderd in een wild bos: de Wilde Wouterstraete werd Rue du Bois Sauvage. Het mooiste voorbeeld vond ik het verhaal van de Vruntstraat. Vroeger stond vlak achter het stadhuis een vrunte, het middeleeuwse woord voor gevangenis. De Spaanse bezetters dachten dat het woord afstamde van ‘vriend’ en noemden de gevangenis spottend Amigo. De Fransen namen dit vervolgens over als Rue de l’Amigo, waardoor de cellen ineens veranderden in de ‘Vriendenstraat’. Schijnbaar noemen Brusselaars het politiebureau tot op de dag van vandaag nog steeds ‘den amigo’.

Enfin, terug naar de Dansaertwijk, ofwel de Bloemenhofwijk. Deze hoek van de stad is inmiddels gewild en een uitvalsbasis voor modeontwerpers, conceptstores en boetieks, maar was ooit een mierennest van bedrijvigheid. Het draaide volledig op het water van de Zenne, de rivier die nu onder de kasseien is verdwenen, en op de aanvoer via het kanaal.

champagne van de Zennevallei
Om de vele lambiekbrouwerijen en geuzestekerijen (daar waar verschillende jaargangen lambiek werden gemengd en gerijpt in houten vaten) eer aan te doen openen we het weekend met een Oude Geuze. Joachim, die jaren in Brussel heeft gewoond, had reeds een reservering voor ons gemaakt bij ’t Spinnekopke. Ook hier weer historie. Deze herberg uit 1762 was vroeger een plek waar postkoetsen stopten om paarden te wisselen. De naam dankt het eetcafé aan het stratenpatroon dat vanuit de lucht lijkt op een spinnenweb, met de herberg als de kop in het midden. We streken neer op het terras. De historische sfeer, compleet met prachtige oude tegels en glas in lood, voel je binnen ongetwijfeld sterker, maar wij kozen vol overgave voor het heerlijke zomerweer. Waar de kaart authentieke Brusselse choesels aanprijst, een 19e-eeuws elitegerecht van stierentestikels, zwezerik en niertjes, kozen wij toch voor een veiliger keuze: een stoof van varkenswangen in kriek-lambiek. Erbij dus een Oude Geuze, een mengsel van jonge en oude lambiekbieren die op houten vaten zijn gerijpt. Door de hergisting op fles, exact zoals bij de méthode traditionnelle van champagne, krijgt het bier zijn fijne, bruisende bubbel. Het is verrassend droog, gelaagd en friszuur; de perfecte tegenspeler bij de varkenswangen.

Het fijnste van zo’n weekend vind ik de ruimte voor gesprekken en verbinding. De zomeravond is heerlijk en de gesprekken zijn mooi. Twee mensen die al jaren niet meer samen zijn, en toch onlosmakelijk verbonden door hun dochter. Ik vond het bijzonder om naar hun verhalen te luisteren, ieder vanuit hun eigen perspectief, en te zien hoe familiebanden en vriendschappen zich door de jaren heen blijven vormen. 35 jaar vriendschap zorgt er simpelweg voor dat zo’n weekend vloeit. Zo fijn!

de zweepslag van de art nouveau
De volgende dag doken we in het erfgoed van de Art Nouveau. We sloten ons aanvankelijk aan bij een georganiseerde stadswandeling. De gids wist werkelijk alles van de historie, maar de manier waarop ze het bracht trok ons simpelweg niet aan. Na zo’n twee uur besloten we dus af te haken en ons eigen pad te kiezen.

Nu is Brussel de bakermat van de Art Nouveau en dus zie je overal prachtige details. Of eigenlijk moet ik zeggen dat je overal de coup de fouet ziet. Jawel, ik heb opgelet tijdens de uitleg… Architecten als Victor Horta braken eind negentiende eeuw met de klassieke regels en introduceerden de ‘zweepslaglijn’: een dynamische, asymmetrische curve die de beweging van een klappende zweep of de veerkracht van een plantenstengel imiteert. Aldus de gids.

Op eigen houtje bezochten we Hôtel van Eetvelde, een meesterwerk van Horta met een prachtige centrale wintertuin onder een koepel van gekleurd glas. Als laatste zetten we koers naar het Ambiorixplein voor Maison Saint-Cyr, ontworpen door Horta-leerling Gustave Strauven. Dit pand van slechts drieënhalf meter breed is ronduit het meest flamboyante van alles wat we die dag gezien hebben, met smeedijzerwerk dat als kant tegen de gevel hangt.

Bij de triomfboog in het Jubelpark zoeken we tevergeefs naar het Volkswagenbusje waar volgens Mo de beste koffie te verkrijgen is, en ook komen we uit bij het verkeerde uitkijkpunt, maar het maakt ons allemaal niets uit. Ook mooi, en bovendien weer nieuwe stukken van de stad ontdekt.

Na lang twijfelen welk museum te bezoeken wint uiteindelijk BOZAR, het Paleis voor Schone Kunsten. Dit is een van de eerste multidisciplinaire cultuurcentra ter wereld en tevens een van de vroegste voorbeelden van Art Deco in België. Hier geen organische krullen en zweepslagen, maar strakke lijnen. Het is ontworpen door dezelfde Horta en vormt een architectonische ijsberg omdat hij niet in de hoogte mocht bouwen. Het gebouw mocht het koninklijke uitzicht vanaf het paleis op het stadhuis namelijk niet belemmeren. Horta ging daarom de Coudenberg in en bouwde een ondergronds labyrint.

wie bepaalt wat mooi is?
We bezochten de tentoonstelling Picture Perfect. Beauty through a Contemporary Lens. Het laat zien hoe beelden ons schoonheidsideaal niet alleen hebben gevormd, maar hoe kunstenaars die normen ook weer proberen te slopen. We lopen door vijf decennia aan fotografie, videokunst en installaties. Eigenlijk stelt het een hele directe vraag: wie bepaalt er nu eigenlijk wat ‘mooi’ is?

De meeste indruk maakte Invisible Filter, een video-installatie van de Brusselse kunstenares Ethel Lilienfeld. Zij legt pijnlijk scherp de link tussen de aloude spiegel en de hedendaagse digitale schoonheidsfilters op onze telefoons en laptops. Het is een reflectie op de angst voor veroudering en de manier waarop schermen onze blik op onszelf vervormen, een schurend contrast tussen wat digitaal is en wat natuurlijk.

Dat mechanisme herkende ik meteen. De explosie aan videocalls sinds de coronaperiode heeft niet voor niets voor een enorme piek in botoxbehandelingen gezorgd. We zitten immers de hele dag naar ons eigen spiegelbeeld op een scherm te turen. Zelf word ik er zeker niet altijd vrolijk van. Wat de installatie echt krachtig maakte, was de emotionele diepte daaronder. Een stil gevecht dat omslaat in berusting. Zodra het wateroppervlak rimpelt, kijkt de vrouw in de video recht naar haar jongere zelf. Niet meer met angst om ouder te worden, maar met acceptatie van wie ze nu is. Indrukwekkend mooi.

Het zet je aan het denken over hoe krampachtig we omgaan met digitale bevestiging. Want naast al die filters op onze telefoon is er natuurlijk nog zo’n bizar ding waar we met z’n allen voortdurend naar turen: de stappenteller. Geen idee waarom ik mezelf heb aangeleerd dat ik een getal nodig heb om te bevestigen dat het een goede dag was en dat ik genoeg heb bewogen. Alsof de vermoeidheid in je benen en de rijkdom aan indrukken in je hoofd niet meer voldoende bewijs zijn.

En toch kijken we beiden ‘s avonds op dat schermpje hoeveel we gelopen hebben. En zijn we blij. Want hoe absurd ik het rationeel ook vind, de streber in mij wil simpelweg resultaat zien, zelfs een ontspannen weekend heeft blijkbaar een ‘eindscore’ nodig. Misschien is dat wel de dualiteit die ik af en toe voel? De behoefte aan controle en meetbaarheid, tegenover het verlangen om simpelweg te voelen, te vertragen en te verbinden.

achteromkijken en vooruitreizen
Als ik de oude foto’s van mijn vader bij het Rogierplein naast mijn eigen herinneringen leg, voel ik die rode draad. Wat een luxe om zo vrij tussen landen te kunnen bewegen, voor werk én ontspanning. Mijn vader koesterde die individuele vrijheid boven alles. Vandaag brachten de foto’s me weer even dicht bij hem. Nu de beelden voor de familiedag zijn gekozen, kan de oude dekenkist weer dicht. De nostalgie maakt plaats voor de praktijk van de dag. Straks wordt de tas weer ingepakt voor een werktrip naar Duitsland, de zonnebril als eerste erin. Dat is misschien wel de mooiste kant van het leven: achteromkijken naar waar je vandaan komt, gesterkt door bijzondere vriendschappen, en met de zon op je gezicht weer vol energie vooruit. En ja, ingesmeerd met factor 50, want de spiegel liegt niet.

toeval bestaat niet – uit de dekenkist… BOZAR

toeval bestaat niet – twee mensen één gedachte

Plaats een reactie