nog niet vertrokken, al wel onderweg

Terwijl ik dit schrijf, ligt mijn rugzak nog leeg te wachten op nieuwe avonturen, ergens stoffig in het berghok. De mentale puzzel is echter al in volle gang. Net als andere jaren ontlopen we een stukje winter en vertrekken we naar warmere oorden. Deze keer staan Hongkong en Taiwan op de planning. 

Niet dat we het ooit samen over deze bestemmingen hadden gehad. Wel werd ik dit voorjaar geïnspireerd door verhalen van Sander, die toen net letterlijk een paar uur terug was van een werkgerelateerde Hongkong-trip. Toen ik begon te puzzelen waarmee ik deze metropool logisch kon combineren, riep ik de hulp in van mijn altijd beschikbare, digitale vriend AI. Na een korte conversatie kwam Taiwan als suggestie uit het algoritme. Een verrassende invalshoek waar ik zelf niet meteen op was gekomen, maar met een vlucht van krap twee uur tussen beide leek het best logisch. Joris is gelukkig flexibel; het plan werd ter plekke goedgekeurd. We zijn er allebei nog nooit geweest, dus het wordt een sprong in het diepe. Maar daar lig ik geen seconde wakker van, hij nog minder. Sterker nog: dat vind ik misschien wel het mooiste van reizen. Je leest je vooraf in, bouwt een beeld op, en ter plekke blijkt de werkelijkheid altijd nét even anders te ademen.

Eerst dus naar Hongkong, om een week lang de polsslag te voelen van een stad die volgens velen een van de mooiste liggingen ter wereld heeft. Zegt men… Ik zal achteraf laten weten of ik het ermee eens ben. Er zijn immers zoveel plekken die met die titel zwaaien. Het gaat uiteindelijk om wat je erbij voelt: wat je op dat moment doet, met wie je er bent, en met wie niet.

Eén titel staat in ieder geval buiten kijf: Hongkong is de absolute koning van de verticaliteit. Met ruim 570 wolkenkrabbers die hoger reiken dan 150 meter laat deze metropool giganten als New York en Dubai officieel achter zich. Om de steile heuvels leefbaar te houden, bouwden ze er zelfs het langste overdekte roltrappenstelsel ter wereld: de Central-Mid-Levels escalators, die je over achthonderd meter ruim 135 meter omhoog tillen door een kloof van glas, beton en neon.

Op papier is Hongkong overigens niet het dichtstbevolkte territorium ter wereld. Die statistische eer gaat naar de buurman Macau. Maar omdat zo’n driekwart van het grondgebied uit (steile) natuurparken bestaat, perst de voltallige bevolking van zo’n 7,5 miljoen zielen zich samen op slechts een kwart van de oppervlakte. Kortom, ik denk toch echt wel dat we een menselijke mierenhoop gaan ervaren. Ik wil zeker ook naar het gebied waar ruim dertig jaar terug nog de beruchte Kowloon Walled City was. Een wetteloos doolhof van aaneengegroeide torens waar vijftigduizend mensen samenleefden op een postzegel van amper twee voetbalvelden groot. De sloopkogels hebben het monster inmiddels laten wijken voor een stadspark, maar de verhalen die daar onder het gras liggen zorgen straks vast en zeker voor een op zichzelf staande blog. 

Tussen al dat staal schijnt de stad overigens verrassend groen te zijn, met wandelpaden die direct achter de woontorens beginnen. Een overtocht met de ferry zou ons het mooiste zicht op die duizelingwekkende skyline moeten geven. En natuurlijk gaan we ons onderdompelen in de cultuur van dimsum. Letterlijk vertaald: ‘het aanraken van het hart’, mooi toch? Kleine, gestoomde kunstwerkjes in bamboemandjes die een eeuwenoude theehuiscultuur met zich meedragen. Waarschijnlijk zijn die dampende eetstalletjes netjes opgestapeld op de tweede of derde verdieping van de food centers in de anonieme torens, maar we gaan ze vast en zeker wel vinden. Zolang ze tenminste niet op de 4e, 14e of 24e verdieping zijn gevestigd, het schijnt namelijk dat die in de lift overgeslagen worden. Kwestie van bijgeloof omdat in het Kantonees het woord voor ‘vier’ vrijwel identiek is aan ‘dood’, waarmee het een zwaarbeladen ongeluksgetal is. 

En dan, na deze botsing (of juist samensmelting?) tussen Chinese traditie en Britse koloniale sporen, vliegen we dus door naar Taiwan.

En ja, als je het nieuws van de afgelopen jaren samenvat, lijkt Taiwan vooral een geopolitiek kruitvat. Xi Jinping herhaalt onvermoeid dat het eiland een afvallige provincie is die vroeg of laat ingelijfd moet worden, desnoods met geweld. 

Hoe meer ik erover lees, hoe meer ik gefascineerd raak door de ongelooflijke transformaties die dit eiland heeft doorstaan. Het is door de eeuwen heen een speelbal geweest van grootmachten: de Portugezen doopten het ooit tot Ilha Formosa (‘prachtig eiland’), onze VOC stichtte er forten en dreef een zeer lucratieve handel in hertenvellen met Japan, waarna het eeuwenlang onder Chinees keizerlijk gezag viel en vervolgens vijftig jaar een Japanse kolonie werd. Na de Tweede Wereldoorlog raakte het verstrikt in de naweeën van de Chinese Burgeroorlog, wat uitmondde in een keiharde militaire dictatuur onder Chiang Kai-shek die pas ver in de jaren tachtig werd ontmanteld. 

En kijk waar het nu staat. Achter die schaduw van geopolitieke retoriek schuilt een van de meest veerkrachtige, open en vreedzame samenlevingen van Azië. Zegt men tenminste. Natuurlijk kunnen we dit pas eind december bevestigen, als we daar überhaupt een echt oordeel over kunnen geven na er slechts een paar weken te gast te zijn geweest. Het eiland is in ieder geval uitgegroeid tot een hypermoderne democratie én de technologische spil van onze moderne wereld. Zonder de microchips die hier van de band rollen, valt onze halve digitale economie stil. Een technologisch pantser dat hen beschermt, maar de inzet tegelijkertijd torenhoog maakt.

Al die historische lagen en migratiegolven hebben niet alleen het politieke landschap gevormd, maar zijn natuurlijk ook weer op één plek naadloos samengesmolten: op het bord, en in de kom. De Taiwanese eetcultuur moet een culinaire caleidoscoop zijn waarin inheemse tradities, eeuwenoude Chinese streekgerechten en subtiele Japanse invloeden door elkaar heenlopen. Ik denk dan meteen aan een georganiseerde chaos van nachtmarkten vol stomende kommen noedelsoep, langzaam gestoofd buikspek en verse specerijen. En ja, het is ook de bakermat van de inmiddels overal oprukkende bubble tea, al weet ik nu al dat ik deze hype links laat liggen. Daar vind ik dus echt niks aan! Daarentegen kan ik nu al uitkijken naar het contrast tussen balanceren op een krakkemikkig plastic krukje tussen de sissende pannen op een markt, en aanschuiven bij een van de tientallen met Michelinsterren bekroonde topzaken. Al sluiten die twee elkaar waarschijnlijk niet eens uit: in zowel Hongkong als Taiwan kan het zomaar gebeuren dat de inspecteurs van de bandenfabrikant hun felbegeerde aanbeveling en Bib Gourmand-sticker gewoon op een piepklein eetstalletje hebben geplakt.

Maar eerst: de laatste werkweken afronden, die lege rugzak vullen en hopen dat de geopolitieke raderen op de achtergrond zich even koest houden. Binnenkort stappen we tussen de torens van Hongkong uit en kan het avontuur beginnen. Wordt vervolgd!

PS
Terwijl ik net over de Michelin-aanbevelingen zat te schrijven, bekeek ik alvast de app. Ik denk dat het wel een feestje wordt. Zeker ook omdat Hongkong een waar walhalla is voor wijnliefhebbers: dankzij een nultarief op invoerrechten en accijnzen is de stad niet alleen het grootste wijnveilingcentrum ter wereld, maar ook de onbetwiste wijnkelder van Azië.

Maar tegelijkertijd bedacht ik me ook: hoe komt een bandenfabrikant er eigenlijk in hemelsnaam bij om sterren uit te delen aan de culinaire wereldtop?

Ik dook er even in, en het is voor mij toch wel een van de meest briljante marketingtrucs uit de geschiedenis. Het allereerste rode gidsje werd rond 1900 uitgebracht door de broers André en Édouard Michelin. Er reden in heel Frankrijk destijds amper drieduizend auto’s rond. Benzine kocht je nog bij de apotheek en autorijden was waarschijnlijk vooral een lijdensweg van lekke banden op modderige karrensporen. Het doel van hun gratis gids vol kaarten, garagisten en herbergen was eigenlijk doodeenvoudig: Fransen stimuleren om de weg op te gaan, kilometers te vreten en zo razendsnel hun banden te verslijten.

Het omslagpunt volgde toen André Michelin jaren later ontdekte dat een monteur een stapel van zijn gidsen gebruikte om zijn werkbank enigszins waterpas te houden. Zijn nuchtere conclusie was: “De mens respecteert alleen waar hij voor betaalt.” Hij smeet de advertenties eruit, zette een prijskaartje op het boekje, stuurde anonieme inspecteurs op pad en introduceerde het nu zo bekende sterrensysteem.

Zelfs de officiële definities van die sterren ademen nog altijd de geur van asfalt:

  • 1 ster: Een uitstekende keuken – het stoppen waard.
  • 2 sterren: Een voortreffelijke keuken – een omweg waard.
  • 3 sterren: Een uitzonderlijke keuken – een reis op zichzelf waard.

Oftewel: rijd die banden maar lekker kaal tot op het canvas. Dat een eeuw later ’s werelds meest elitaire chefs collectief bibberen voor het oordeel van een stel bandenverkopers, en dat diezelfde gids tegenwoordig de krukjes van Aziatische nachtmarkten keurt, maakt de cirkel weer mooi rond.
Dat gezegd hebbende, ik ga snel iets klaarmaken, ik krijg er trek van!

Geef een reactie