Turijn komt op mij over als een stad met twee gezichten. Aan de ene kant is het de statige, koninklijke bakermat van Italië, barstensvol barokke paleizen en statige herenhuizen. Daarnaast herbergt deze stad kilometers aan historische, overdekte winkelgalerijen, de zogenaamde portici. Het doet me denken aan Bologna, de Italiaanse bogenhoofdstad. Maar waar de bogen in Bologna ooit werden gebouwd uit pure woningnood om extra kamers voor studenten te creëren, dacht koning Vittorio Emanuele I hier in Turijn vooral aan zijn eigen comfort. Hij liet een kilometerslang, ononderbroken netwerk van bogen aanleggen van zijn paleis tot aan de rivier de Po, zodat de koninklijke familie altijd droog over straat kon. Hier dus geen creatief opgelost studentenprobleem, maar een klassieke grandeur waarbij je letterlijk in de vorstelijke voetstappen treedt, vaak ook nog over een marmeren catwalk.


Ons vaste baken tijdens onze dwalende avondwandelingen is het centrale station, Torino Porta Nuova. Daar heb ik direct ook mijn eerste weddenschap verloren. Ik was er heilig van overtuigd dat dit een prachtig staaltje art deco was. Niet dus, het is ruim vijftig jaar eerder gebouwd. Hoe dan ook, vanaf dit indrukwekkende knooppunt is het nog een klein kwartiertje lopen naar ons tijdelijke thuis. Dat is ook handig voor de supersnelle trein naar Milaan voor een paar werkbezoeken.
Achter die koninklijke façade schuilt dat tweede gezicht. Turijn is namelijk ook een rauwe, hardwerkende industriestad. Het voelt als de ietwat gedateerde motor van Noord-Italië. Waar ze in Rome praten en in Milaan paraderen, wordt er in Turijn gewerkt. Er heerst een nuchtere mentaliteit van niet lullen maar poetsen, vergelijkbaar met Rotterdam. De stad is groot geworden door FIAT en alle bijbehorende toeleveranciers. Net zoals Eindhoven decennialang ademde door Philips, draaide het hier volledig om de auto-industrie. Inmiddels zoekt de stad een nieuwe balans tussen deze industriële erfenis en een toekomst gericht op design, technologie en kunst. Volgens mijn lokale collega’s wil dat laatste nog niet overal vlotten, maar bij de beroemde Lingotto-fabriek komen het verleden en de vernieuwing alvast mooi samen.
waar autobanden naar de hemel klommen en Joris werd teruggefloten
De komvormige bochten van het circuit lopen steil omhoog en de noordzijde heeft een honderdvijftig meter lange muurschildering. Joris, gezegend met een milde, natuurlijke allergie voor regeltjes, kan de verleiding uiteraard niet weerstaan. Hij heeft nog maar net een voet op het verweerde beton gezet van deze curve paraboliche als een snerpend fluitje de stilte op dit enorme dak doorbreekt. Een Italiaanse bewaker maakt met een serie wilde handgebaren direct duidelijk dat hij strak achter de getrokken streep moet blijven. Lopen op de legendarische bocht is dus absoluut taboe.

Joris druipt geïrriteerd af. Geen detailfoto’s van deze muurschildering, zoveel is duidelijk. Ik zie het op een afstandje gebeuren en had het vooraf kunnen uittekenen. Het is stiekem ook de dynamiek waar ik van geniet. Zijn fascinatie begrijp ik wel. Als we de strenge bewaker even wegdenken, staan we toch op een uniek stuk industriële historie. De Franse kunstenares Dominique Gonzalez-Foerster kreeg van Pinacoteca Agnelli de opdracht om een fotografische collage te creëren over de geschiedenis van Turijn. Het eindresultaat, Pistarama, is een soort absurde mash-up waarin ze personages uit films, historische nieuwsberichten, boeken en schilderijen volledig uit hun context heeft getrokken en naast elkaar heeft gezet. Sociale revoluties, cinema en pure fantasie zorgen voor bizarre combinaties. We zien Maria Callas meelopen in een studentenprotest, zij aan zij met Gina Lollobrigida. Wie goed zoekt, vindt ook John Travolta en Alice in Wonderland.
Onder die visuele grapjes schuilt een veel diepere betekenis. Wie we niet kennen, en dus ook niet herkennen, is de Joods-Italiaanse neurobiologe Rita Levi-Montalcini. Zij overleefde het fascistische regime in Turijn door stiekem thuis een illegaal laboratorium in te richten, en won later de Nobelprijs. We zien de filosoof Friedrich Nietzsche in de stijl van Edvard Munch, en nog honderden figuren die zich in een gigantische stroom over de muur bewegen. De muurschildering barst van de felle politieke graffiti en protestborden, waarbij vooral de inmiddels wereldwijde protestleus ‘I can’t breathe’ (George Floyd) opvalt. Het is een rauw eerbetoon aan de menselijke weerbaarheid en de felle sociale strijd van de stad.
Toen deze gigantische fabriek in de jaren twintig werd geopend, was het een van de modernste complexen ter wereld. Hoewel Henry Ford in Amerika al in 1913 de bewegende lopende band had geïntroduceerd, pakte Fiat het principe in Lingotto net even anders aan. Waar het productieproces bij Ford op de etages van boven naar beneden bewoog, ontwierp architect Matté Trucco hier een fabriek die juist omhoog groeide. Over exact vijf verdiepingen bewoog de auto in wording omhoog, waarbij op elke etage een nieuw onderdeel werd gemonteerd. Pas op de bovenste etage openden de deuren naar het dak voor de ultieme vuurdoop op het testcircuit. De kombochten waren puur technisch ontworpen om te voorkomen dat de testrijders bij hoge snelheden over de rand lanceerden.
Als je nu de eerste verdiepingen betreedt, slik je wel even een lichte teleurstelling weg. Het interieur is grotendeels verbouwd tot een nogal alledaags overdekt winkelcentrum, wat toch een beetje jammer is. Want de arbeiders van FIAT stonden bekend als de meest strijdbare van het hele land. Exact hier, waar nu gezinnen de vele etalages bekijken en ijsjes eten, trotseerden de arbeiders met gevaar voor eigen leven het fascistische regime van Mussolini. Terwijl er de doodstraf of deportatie op stond, lieten ze in maart 1943 de machines massaal stilvallen. Het was de allereerste grote massastaking in bezet Europa, die het begin van het einde voor de dictator inluidde. Tijdens de Autunno Caldo, de hete herfst van 1969, vormden de jonge fabrieksarbeiders hier opnieuw een vuist met protesterende studenten. Onder de strijdkreet Vogliamo Tutto, we willen alles, hielden ze guerrillastakingen op de werkvloer en namen ze de fabriek de facto over. Groepen arbeiders liepen al trommelend en zingend door de fabriekshallen om de lopende band doelbewust te blokkeren en managers werden urenlang opgesloten in hun kantoren. Het lijkt me de absolute HR-nachtmerrie, niet bepaald een constructief functioneringsgesprek. Het leidde uiteindelijk wél tot de introductie van de modernste arbeidswetten die Italië ooit gekend heeft.

Het is bijna bizar om te bedenken dat deze snelkookpan van sociale onrust nu de etalages van de bekende modeketens herbergt. Gelukkig vinden we de erfenis van het gebouw dus nog op het dak. We mogen dan wel niet op de schuine bochten lopen, de rest van de voormalige testbaan is vrij toegankelijk en omgetoverd tot een prachtige daktuin, La Pista 500, met honderden planten en struiken. De High Line in New York, toch een van mijn favorieten, lijkt er bijna bescheiden bij. Tussen het groen en de kunstwerken door zie je nog altijd de originele stukken asfalt liggen.
Later heeft de Italiaanse architect Renzo Piano* daar La Bolla bovenop geplaatst, een futuristische constructie van staal en glas, bedoeld als exclusieve vergaderruimte voor de top van FIAT, compleet met helikopterplatform. Vandaag de dag vergaderen de autobonzen hier niet meer. Stellantis heeft deze legendarische fabriek na roerige economische tijden grotendeels verlaten. Als onderdeel van het Lingotto-congrescentrum is de glazen bol tegenwoordig een unieke locatie voor de hoogste bieder. Deze zondag is de dynamiek echter ver te zoeken, hij glanst als een verlaten kunstwerk in de zon.

de schatkamer op het dak
Midden op datzelfde dak staat nog een ander bouwwerk van Piano. Een eveneens optisch zwevende glazen constructie, door de Italianen liefkozend Lo Scrigno genoemd, oftewel het juwelenkistje. Dit is de thuishaven van de Pinacoteca Giovanni e Marella Agnelli. De familie Agnelli, de oprichters van Fiat, gold decennialang als de ongekroonde koninklijke familie van Italië. Hun invloed op de economie van het land was immens, en hun smaak voor kunst excentriek.
Binnen in dit zwevende museum hangt een bescheiden maar prachtige privécollectie. Het is surrealistisch om hier ineens oog in oog te staan met de meesterwerken van de avant-garde. De muren tonen werk van Matisse, de melancholische, langgerekte naakten van Modigliani en een mooi vroeg werk van Picasso, L’Hétaire uit 1901. Hij was toen pas rond de twintig en geobsedeerd door het decadente nachtleven en de bordelen van Parijs. Deze courtisane met vuurrode lippen kijkt je recht, bijna arrogant, in de ogen en lijkt duidelijk de controle te hebben. Prachtig. Minimaal zo mooi is het feit dat we hier in alle rust ronddwalen, ver weg van de toeristische massa’s die doorgaans voor dit soort schilderijen in de rij staan.
vermout en straatfeesten
Na uren op het dak te hebben doorgebracht, dwingt de honger ons weer naar beneden. Pal naast de fabriek ligt de allereerste Eataly ter wereld, gevestigd in de oude hallen van de Carpano-fabriek. Dit is heilige grond, want aan het eind van de achttiende eeuw werd hier de vermout uitgevonden, en daarmee ook het hele concept van de aperitivo. Nu vind je er goed gevulde schappen en eettentjes, met daartussen nog de originele gietijzeren pilaren, betonnen steunbalken en hoge fabrieksplafonds. Het verhaal gaat dat de bouwvakkers tijdens de renovatie begin deze eeuw nog regelmatig een intense vermoutlucht roken. De rode bakstenen hadden na een eeuw zoveel alcoholdampen en geheime kruiden opgezogen, dat ze het verleden nog letterlijk leken uit te ademen. Het is bovendien de plek waar de Punt e Mes (letterlijk: anderhalf punt) werd geboren, toen een gefrustreerde beursmakelaar in 1870 zijn drankje na een slechte dag op de aandelenmarkt per ongeluk in beursjargon bestelde. Inmiddels is het weer hip en geeft het onze geliefde negroni een Turijns karakter, de Punt e Negroni. Geïnspireerd door al die alcoholische historie eten wij er overigens heel braaf slechts een verse pasta met slechts een glas rode wijn.
Wanneer we ’s avonds richting de metro lopen om terug te keren naar onze wijk, worden we verrast door een compleet andere cultuur. Bij de ingang van het station is een spontaan, Zuid-Amerikaans straatfeest aan de gang. We horen de opzwepende ritmes van de muziek en overal wordt er gegeten. Of dit een vaste zondagse traditie is of een toevallige samenkomst blijft onduidelijk. Het is de perfecte, ongeplande afsluiting van een dag in een wijk die weigert stil te staan in het verleden.
Egyptische tegenvallers en Perzische rust
Onze culturele ontdekkingstocht in het centrum verloopt de volgende dagen echter met wisselend succes. Joris had hoge verwachtingen van het Egyptisch Museum, waar hij jaren geleden diep van onder de indruk was. Het bleek een flinke tegenvaller. Het gebouw staat momenteel in de steigers voor een enorme verbouwing, waardoor de looproutes onduidelijk waren, zalen waren afgesloten en de sfeer volledig ontbrak. Een kleine domper. De redding kwam in de vorm van het MAO, het Museum voor Oosterse Kunst, een aanrader van mijn collega Annalisa. Waar het Egyptisch Museum in chaos ten onder ging, vonden we hier een oase van rust. Joris besloot buiten op adem te komen, terwijl ik binnen langs prachtig eeuwenoud aardewerk uit Iran en met goud bewerkte Tibetaanse boekomslagen dwaalde.

De maandelijkse antiekmarkt op het Piazza Vittorio bracht echter weer een heerlijk staaltje Italiaanse dynamiek. We tikten er een prachtig schilderijtje op de kop en leerden direct twee waardevolle lessen. In Italië kun je tegenwoordig werkelijk elke espresso contactloos betalen, behalve antiek, daar is cash nog altijd koning. Bovendien bleek dat wanneer je even wegloopt en later terugkomt om je buit op te halen, de (op leeftijd zijnde) verkoopster de afgesproken prijs spontaan is vergeten. De inflatie had het kunstwerk in een half uur tijd op miraculeuze wijze duurder gemaakt. We konden er gelukkig om lachen en kregen het kleinood na wat vriendelijk onderhandelen alsnog voor de gewenste prijs mee.
de kunst van het volhouden
Onze dagelijkse beslommeringen bleven daarmee heerlijk Italiaans. We raakten steeds beter bevriend met de conciërge van ons casa a ballatoio. De goede man sprak geen woord over de grens, maar hij werd met de dag enthousiaster als we langsliepen. Aan de overkant van de straat vonden we een dakterras waar we voor slechts acht euro een prima lunch inclusief koffie kregen. Overdag was het een kwestie van meters maken achter de laptop terwijl Joris de stad verkende, om ’s avonds ergens af te spreken voor een aperitivo op een terrasje. Zeker geen slechte deal!

*Nawoord, vanaf ons terras te Rotterdam.
Teruglezend over Lingotto zoek ik wat achtergrondinformatie op over de architect, Renzo Piano. Ik stond namelijk slecht een paar weken terug nog in het Whitney Museum in New York, eveneens ontworpen door Renzo Piano. Wat blijkt? De schuine KPN-toren in mijn vertrouwde Rotterdam is ook van zijn hand, net als het NEMO Science Museum in Amsterdam en het Centre Pompidou in Parijs. De man is inmiddels 88 jaar oud en bemoeit zich nog steeds met grote projecten over de hele wereld. Van een vervroegd pensioen wil hij niks weten. Voor mijn werk praat ik dagelijks over duurzame inzetbaarheid en vitaliteit op de werkvloer, maar deze Italiaanse grootmeester heeft dat concept eigenhandig uitgespeeld. Hij blijft onvermoeibaar doorgaan. Een inspirerende gedachte om morgen mee te nemen, op de eerste werkdag na terugkomst uit ons geliefde Italie.
De rest van de verhalen volgen snel. I promise!
