de solitaire snelheid van de stad

Een verslag van 55 uur NYC – blijkbaar eist New York mij alleen op.

de grote gelijkmaker op rails
De metro alhier is voor mij geen transportsysteem, ik vind het meer een soort reizend theater, de ultieme afspiegeling van New York. Nergens ter wereld zie ik zo’n intense diversiteit, samengeperst in één ondergrondse wagon. Daar waar de wetten van de bovenwereld heel even vervagen. Geen rang, geen stand. Iedereen betaalt dezelfde drie dollar om van A naar B te komen. 

Ik luister. Het is een kakofonie van talen. Alsof ik live door de radiofrequenties van de hele planeet scrol, al praat het merendeel overigens tegen zijn eigen telefoonscherm.

Ik kijk. Designerkleding staat schouder aan schouder met een nog wat stoffige Dominicaanse (?) bouwvakker. Een hiphopper deelt een stang met instagrammende meiden op kniekousen, die grote bekers iced lavender matcha met havermelk in hun perfect gemanicuurde handen klemmen. Daarnaast zit een ultraorthodoxe Joodse familie, op hun beurt weer geflankeerd door Aziatische tieners met felgekleurde Labubu-monstertjes die met bosjes als talismans aan hun rugzakken bungelen.

Mijn blik blijft echter hangen bij een ouder echtpaar. Ze moeten de tachtig ruim gepasseerd zijn. Hun handen zijn stevig in elkaar verstrengeld terwijl hij zijn krantje leest. Het ontroert me direct. Nog geen twee weken geleden was ik op de uitvaartdienst van mijn lieve tante, de zus van mijn vader. Ze kreeg het op een bijna mystieke wijze voor elkaar om exact veertig jaar na dato, op exact dezelfde kalenderdatum, te overlijden. Ze was een vrouw voor wie ik altijd een grote bewondering had, een bewondering die door alle persoonlijke verhalen tijdens de dienst alleen maar groter werd. Zij en mijn oom waren meer dan zeventig jaar samen. Mijn oom blijft achter, zo intens verloren in zijn rolstoel, deels in zijn eigen wereld en zijn eigen verdriet.

Ik zou dit New Yorkse stel in de metro wel willen omhelzen, zo puur ziet hun geluk eruit. 

Ik bedenk me dat die voortrazende metro coupé eigenlijk een rijdende bibliotheek vol ongeopende boeken is. Als je toch de levensverhalen van deze volstrekt willekeurige groep mensen eens zou opschrijven… En dat idee als thema zou aanhouden… Ik zie in gedachten al een prachtige reeks boekjes voor me. Stuk voor stuk uitgebracht met de verfijning van de vroegere Zolderpers van mijn tante.

meatpacking – van bloed en fetisj naar industrieel chic 
Terwijl de metro met luid geraas het volgende station binnenrolt, besef ik nog net op tijd dat ik ben waar ik wezen moet. Praktisch gezien dan. Ik stort me weer in de dynamiek van de bovengrondse stad. De stad die simpelweg nooit stopt met rennen.

14th Street, Meatpacking District. Ik loop langs de blinkende flagshipstores van YSL en Hermès en passeer het ultra-exclusieve AP House. Niets geen traditionele horlogewinkel, maar een soort high-end privé-lounge voor de happy few. Het is bijna onvoorstelbaar hoe deze buurt er nog maar dertig jaar geleden bij lag. Midden jaren ’90 was dit een rauwe no-gozone.

  • 1996: 250 actieve vleesverwerkers. Zaagsel op de kasseien om het bloed en het smeltwater op te vangen. Een penetrante, weeïge geur van rauw vlees die tussen de muren blijft hangen.
  • 1999: De kanteling. Haute couture tussen de karkassen. De opening van boutique Jeffrey en restaurant Pastis (dé Sex and the City-hotspot).
  • 2009: Opening van de High Line. De vastgoedprijzen schieten onbetaalbaar hard door het dak. De slagers vluchten noodgedwongen naar de Bronx.
  • 2024: De allerlaatste grote vlees coöperaties sluiten definitief hun deuren om plaats te maken voor woningbouw.
  • 2026: Ik haal bovenstaande opsomming van ChatGPT terwijl ik mezelf op een schandelijk duur glas wijn tracteer, onderweg naar het Whitney.

Als ik omhoog kijk naar het plafond, zie ik tussen het hout de roestige ijzeren rails met hier en daar nog een vleeshaak. Uiteraard bewust laten hangen als industrieel erfgoed. Daaraan droegen ze dus nog niet zo heel lang geleden de karkassen van koeien over de vloer. Dat is pas industrial chic, daar kan mijn eigen woning nog een puntje aan zuigen.

Ik lees hoe de buurt hier ’s nachts transformeerde in het decor van beruchte underground fetishclubs. In het inmiddels verdwenen Florent dronken de slagers ’s ochtends vroeg hun eerste koffie, zij aan zij met de dragqueens die net uit de clubs kwamen rollen. Een dubbelleven dat nu volledig is weggepoetst door de hyper gentrificatie.

een ‘intellectual slugfest’ – ‘everything wants to kill you and you should be afraid’
Ik loop verder richting de Hudsonrivier naar het Whitney Museum of American Art. Het gebouw, een asymmetrisch meesterwerk van de architect Renzo Piano, is met zijn enorme glaspartijen en gestapelde buitenterrassen al een kunstwerk op zich. Ik neem de lift naar de bovenste verdieping, waar ik direct de Whitney Biennial 2026 in word gezogen. Wie een paar uur esthetisch achterover wil leunen, heeft hier duidelijk niets te zoeken.

Ik sta er oog in oog met een ietwat beklemmende installatie van kunstenaar Precious Okoyomon, die de veelzeggende titel ‘Everything wants to kill you and you should be afraid’ draagt. En die waarschuwing is niet overdreven. Deze Okoyomon, blijkbaar een New Yorkse rijzende ster, dichter én professioneel chef-kok die bij voorkeur met de voornaamwoorden hen en hun wordt aangeduid, staat bekend om rauwe, zintuiglijke kunst. Waar hun eerdere exposities vaak nog bestonden uit levende, bloeiende ecosystemen, heeft Okoyomon als chef-kok besloten dat er deze keer pure duisternis op het menu staat. In de metershoge open ruimte zweven tientallen bizarre, macabere wezens, elk aan een eigen strop. Het zijn griezelige lilliputter-gedaanten, in elkaar genaaid van afgedankte kinderkleding en oud speelgoed, gecombineerd met de vleugels en veren van opgezette vogels. Het contrast tussen de onschuld van een kindertijd en de grimmige duisternis van vergankelijkheid hangt hier letterlijk in de lucht.

Een strak in het designpak gestoken kunstcriticus met een net iets te dikke montuurbril staat pal naast me naar de hangende wezens te kijken. “De Biënnale is traditioneel een ‘intellectual slugfest’,” declareert hij met een gewichtig gezicht, zonder zijn blik van de installatie af te wenden.

Terwijl hij gehypnotiseerd blijft staren naar deze grimmige poppencollectie, zoek ik iets verderop stiekem op mijn telefoon op wat slugfest nu eigenlijk precies betekent. Een genadeloze bokswedstrijd waarin enkel keiharde klappen vallen, zo blijkt. Nou, dat dekt de lading! De werken en installaties van deze Biënnale zijn een rauwe blauwdruk van de vraag hoe je je psyche beschermt in een wereld die van de ene crisis in de andere tuimelt. Fascinerend, maar met mijn toch al matig opgeladen batterij ook een tikkeltje desoriënterend.

witte, kapitalistische betonnen tulpen in het avondrood
Na een aantal vergelijkbare ‘intellectuele boksgevechten’ vlucht ik even naar buiten voor wat frisse lucht op een van de dakterrassen. Het naderende avondlicht maakt de wereld direct een stuk zachter. De rivier, de High Line, de skyline; het is ronduit prachtig. Wat een geluk.

Direct naast het museum ligt Little Island. Dit zwevende design-eiland vormt een kunstmatig, golvend landschap vol bomen en planten, balancerend op tientallen reusachtige, witte betonnen ‘tulpen’ die uit het water omhoogsteken. De vrijwel volledig getatoeëerde en gepiercte jongen die naast me tegen de reling leunt, ziet me kijken. Hij vertelt dat er ergens tussen al dat groen een houten amfiteater boven de Hudson zweeft. Het lijkt me geen slechte plek om een concert bij te wonen. Hij knikt enthousiast en vult aan dat het programma de hele zomer duurt, ontzettend gevarieerd is én verrassend betaalbaar.

Al voegt hij er meteen een kritische noot aan toe. Het eiland is namelijk volledig gefinancierd door een media-miljardair, wat volgens kritische locals een dubieus precedent schept, namelijk een rijke elite die plotseling de baas wordt over de invulling van de openbare ruimte. Groenkapitalisme, dus. Ik gok zomaar dat hij zelf ook bij die progressieve beweging hoort. 

Hoe dan ook, het is wel gebouwd op de fundamenten van de oude Pier 54. En dat is dan weer de exacte plek waar in 1912 de overlevenden van de Titanic aan land werden gebracht.

Draai ik een kwartslag, dan kijk ik recht op het gigantische, glazen hotel The Standard, dat direct over de oude spoorlijn heen is gebouwd. Ik staar naar de kamerhoge, deels bedekte en deels onbedekte raampartijen. Het is de Utrechtse Monnetlaan, maar dan op immense schaal! Een levendige lappendeken vol flitsen van anonieme hotellevens. Een jongen loopt volkomen naakt heen en weer door zijn kamer. Ik vraag me geamuseerd af of het bewust exhibitionisme is, of dat hij zich simpelweg niet realiseert dat hij vanaf deze museumterrassen glashelder te bewonderen is. Het is een openluchttheater pur sang: de kunst van het etaleren en het bekeken worden…

als nuchtere buitenlander drie miljoenen verslindende vlaggen missen
Weer binnen slenter ik door de andere ruimtes, langzaam afdalend richting de begane grond. Zowel de gigantische lift als het trappenhuis zijn een wezenlijk onderdeel van de totale ervaring. De liften zijn een permanent kunstwerk, maar zodra je de trap naar beneden neemt, word je de Biënnale weer in getrokken. Een kunstenaar heeft de gigantische, metalen architectuurbuizen in het trappenhuis getransformeerd tot een buitenaards geluidsorgel. Terwijl je afdaalt, galmt het geluid door het metaal. De lagere verdiepingen bieden onderdak aan de permanente tentoonstellingen. Met 5.800 vierkante meter is er ruim voldoende ademruimte voor de grote iconen van de Amerikaanse kunst. Een schril contrast met de postzegel van mijn hotelkamer.

Ik zie de herkenbare stijl van Hopper, de popart van Warhol, de doeken van O’Keeffe en de meer abstracte werken van ‘onze’ Willem de Kooning; toch een mooi stukje Nederlandse trots in Manhattan. En hoewel ik me graag laat gidsen door historische feiten, moet ik ook in deze blog een bescheiden bekentenis doen. Een van de duurste en meest legendarische topstukken uit de geschiedenis van het Whitney bleek namelijk volledig aan mij verspild: Three Flags van Jasper Johns. Het gelaagde werk van drie over elkaar heen liggende Amerikaanse vlaggen wist mijn aandacht simpelweg niet te grijpen. Sterker nog: ik kende het hele werk niet eens en ben er in een vlot tempo aan voorbijgelopen. Ik lees er pas achteraf over, op mijn postzegel hotelkamer. Gelukkig was de man met de te dikke montuurbril niet meer in de buurt om me te berispen! 

“There is something in the New York air that makes sleep useless.” – Simone de Beauvoir
Ook hier ben ik weer ultra-vroeg wakker. De afgelopen week bestond al uit veel te veel korte nachten en ik had toch gedacht nu wat bij te slapen. Niet dus. Tijdens de vlucht naar de US luisterde ik nog braaf naar neurowetenschapper en slaapgoeroe Matthew Walker, auteur van de bestseller Why We Sleep. Zijn stelling dat de volkswijsheid “slapen kun je doen als je dood bent” feitelijk onjuist is (omdat je simpelweg sneller doodgaat als je chronisch te weinig slaapt) bleef behoorlijk hangen. Maar van al mijn goede voornemens komt deze week dus helemaal niets terecht. Hardleers is waarschijnlijk het juiste woord. Of een onbarmhartig langdurende jetlag. 

Vanuit mijn bed zie ik zware, grijze, maar gelukkig nog droge lucht. Gezien de slechte weersvoorspellingen besluit ik de ochtend dan maar meteen te starten en na een snelle acrobatische actie onder een douche waarbij het douchegordijn angstvallig nabij komt, stap ik de deur uit richting Orwashers Bakery.

Dit instituut werd al in 1916 opgericht door Hongaarse immigranten aan de Upper East Side, waar ze destijds hun roggebroden bakten in kolenovens in de kelder, om de Europese nieuwkomers van hun vertrouwde kost te voorzien. Gelukkig hebben ze inmiddels ook een vestiging aan ‘mijn’ kant van de stad, in de Upper West Side. Ik kom er echter niet vanwege die historie, maar om een puur pragmatische reden: het grote espressoapparaat en de aantrekkelijke amandelcroissants die ik vrijdag tijdens mijn verkenningstocht al had gespot.

Met deze buit achter de kiezen begin ik aan de dag en doorkruis ik Central Park van west naar oost. Op weg naar het volgende culturele anker. Het park is een stuk minder druk dat de dag ervoor, toen het warmer was en het zonnetje scheen. Maar ook met paraplu voor de eerste druppels kom ik exact op de juiste hoogte uit, namelijk bij het Guggenheim Museum. 

Hoewel ik de titanium curves van Gehry’s Guggenheim in Bilbao al eens heb mogen bewonderen, was het me tijdens eerdere bezoeken aan New York nooit gelukt om de iconische witte spiraal van Frank Lloyd Wright van binnen te bekijken. Hoog tijd dus om dit moederschip van de Solomon Guggenheim Foundation eens te bezoeken. Het is tenslotte de bakermat en dit ronde gebouw aan 5th Avenue opende zijn deuren reeds in 1959. Een tweede museum opende in een onafgemaakt paleis aan het Canal Grande in Venetië. Dit was het woonhuis van Peggy Guggenheim, het excentrieke en rebelse nichtje van oprichter Solomon. Zij vluchtte in de Tweede Wereldoorlog met haar kunstcollectie uit Europa en in de jaren 70 schonk ze haar paleis inclusief collectie aan de familiestichting. Pas daarna volgde, eind jaren 90, het Guggenheim Bilbao van Frank Gehry. Gehry is ook verantwoordelijk voor het gloednieuwe Guggenheim Abu Dhabi. Gepland voor opening ergens dit jaar. Met een oppervlakte van maar liefst 42.000 vierkante meter wordt dit straks in één klap het allergrootste Guggenheim-museum ter wereld. Concurrent voor het nabij gelegen Abu Dhabi Louvre. Daar is het Whitney dus een kleintje bij. 

de rebelse spiraal…
… tegen de strakke blokken van de stad. Wright ontwierp het museum met het idee dat je direct de lift naar de bovenste verdieping pakt, om vervolgens ontspannen naar beneden te wandelen, vloeiend en moeiteloos. Op dit moment is er de de tijdelijke tentoonstelling van Carol Bove. Het vult de hele spiraal van het Guggenheim en hoe langer ik ernaar kijk, hoe mooier ik het vind. 

staal zo zacht als boetseerklei
Het zijn gigantische sculpturen, gemaakt van industrieel roestvrij staal. Het soort loodzware buizen die normaal in de bouw worden gebruikt. Maar door haar unieke bewerking met hydraulische persen en industriële machines lijken die metershoge buizen plotseling zo zacht als gekreukt papier of boetseerklei. Een proces van brute kracht en extreme precisie. Ze perst, kreukelt en vouwt het staal totdat het bezwijkt. Het verliest zijn hardheid, visueel dan. 

Om die optische illusie compleet te maken, spuit ze de stalen constructies vaak over met felle, glanzende autolak. Hierdoor vallen de schaduwen heel anders op het metaal en lijkt het zware staal dus gek genoeg opeens licht en zacht, soort snoepgoed. Ik vind het echt geweldig en loop twee keer de spiraal naar beneden. Wil het aanraken, wat natuurlijk niet mag. 

geheimen achter een dubbele gevel
Een andere optische illusie bevindt zich slechts drie blokken verderop: het voormalige herenhuis van de Joodse bankier Felix Warburg, gebouwd in 1908 in de stijl van de kastelen uit de Franse Loire-vallei. Een compleet andere wereld. Als je ervoor staat, lijkt het één massief, historisch paleis. In werkelijkheid is het gebouw in de jaren negentig verdubbeld. De architecten hebben de gotische kalkstenen gevel zó perfect gekopieerd dat je de grens tussen 1908 en 1993 amper kunt zien.

Achter deze dubbele gevel is het Jewish Museum gevestigd. Het vormt een scherp contrast met het Mémorial de la Shoah in de Parijse Marais, dat ik eerder bezocht. Waar dat Parijse monument van beton en glas herinnert aan het zware Europese trauma, voel je in Manhattan vooral het succesverhaal. Geen weggestopte minderheid, maar pure autonomie: de Joodse elite bouwde hier aan het begin van de twintigste eeuw simpelweg haar eigen châteaux op Fifth Avenue, pal naast de rijkste industriëlen van de stad. 

Binnen dwaal ik uren rond, allereerst gegrepen door een collectie van 130 Chanoeka-kandelaars. Ik leer er over Hadlakat Nerot, het ritueel waarbij acht dagen lang elke avond een kaars meer wordt aangestoken. Het herinnert aan het wonder in Jeruzalem, waar een klein kruikje olie miraculeus acht dagen bleef branden. Met die kennis komen de verhalen in de vitrines pas echt hard binnen: sommige kandelaars zijn onder levensgevaar in elkaar geknutseld in de concentratiekampen. Het aansteken van de kaarsen was daar een daad van spiritueel verzet. Een weigering om het licht te laten doven.

De emotie hangt hier sowieso dicht aan de oppervlakte, ook bij de schilderijen van Gertrud Kauders, een kunstenares die stierf in een concentratiekamp. Haar complete levenswerk werd pas een paar jaar geleden bij toeval ontdekt tijdens een renovatie in Praag. Het zat al die tijd verstopt achter de muren en onder de vloerplanken. Nu hangen deze geredde meesterwerken hier in New York.

Waar ik bij de historische kandelaars nog het rijk alleen had, is het bij de tijdelijke tentoonstellingen een stuk drukker. Vooral Paul Klee is populair. En waar de meeste andere Joodse musea zich vaak focussen op religieuze voorwerpen en geschiedenis, was dit Jewish Museum aan 5th Avenue de allereerste religieuze instelling ter wereld die hypermoderne, soms shockerende kunst durfde te tonen.
Al in de jaren zestig gaven zij een podium aan avant-garde pioniers zoals Jasper Johns – jawel, die van mijn gemiste vlaggen – lang voordat ze mainstream waren. Vandaag zie ik, naast de Chanoeka-kandelaars, de rauwe naaktportretten van Joan Semmel. Haar mega grote monumentale doeken zijn nogal expliciet. Ik vind eigenlijk het mooiste deel waarin ze  haar lichaam door de decennia heen eerlijk laat verouderen. Ook de manier waarop het museum in het midden van de zaal bijpassende werken van andere kunstenaars heeft geplaatst, vind ik een meesterzet. De bebrilde criticus uit het Whitney zou hier waarschijnlijk instemmend knikken en vaststellen dat ‘de visuele dialoog aan alle kanten klopt’. En vooruit, in deze specifieke boksring geef ik hem geen ongelijk.

Na al deze indrukken zit mijn hoofd in ieder geval wel even helemaal vol. Er is simpelweg te veel moois gezien. Maar van de weeromstuit leveren al die beelden me die nacht zowaar een uur extra kostbare slaap op. Matthew Walker kan opgelucht ademhalen. Of misschien lag het stiekem aan het boek waarin ik op mijn hotelkamer was begonnen: Portretten en een oude droom van Kader Abdolah. Een verhaal dat, bijna net als mijn eigen dagen hier, koortsachtig balanceert tussen intieme portretten, herinneringen en de ongrijpbare wereld van dromen. Een mooiere spiegel had mijn overprikkelde brein zich niet kunnen wensen.

brunchen met geesten uit het verleden, afrekenen met prijzen van nu
Op mijn laatste dag neem ik wederom metrolijn 1 naar het zuiden, met als eindbestemming een brok pure New Yorkse geschiedenis: het legendarische Hotel Chelsea op 23rd Street. Dit Victoriaanse bakstenen monument is een heiligdom voor de popcultuur. Dit is de plek waar Bob Dylan zijn meesterwerken schreef, waar Jimi Hendrix sliep en waar Janis Joplin en Leonard Cohen hun vluchtige, legendarische romance beleefden. De directe inspiratie voor Cohens song Chelsea Hotel No. 2. 

Ik wil het hotel echter vooral zien om een tastbaar beeld te krijgen bij de wereld van Patti Smith en Robert Mapplethorpe. In haar meesterlijke autobiografie Just Kids schetst Patti het Chelsea Hotel als de ultieme, koortsachtige vrijhaven waar je met nul dollar op zak toch een groots kunstenaar kon zijn. Een broedplaats voor schrijvers, dichters en performers.

Tot mijn verrassing, en opluchting, staat er geen rij toeristen voor de deur. Sterker nog, ondanks mijn gebrek aan reservering krijg ik direct een plekje aan de bar voor een klassieke New Yorkse brunch: Eggs Benedict. Ik zit hier simpelweg te eten aan de bar waar eigenhandig kunstgeschiedenis is geschreven.

En daar wringt meteen ook het grootste, bijna ironische contrast. Aan de muren hangen nog altijd de excentrieke schilderijen die de legendarische manager Stanley Bard destijds van arme kunstenaars aannam als betaalmiddel voor de huur. Maar een anarchistisch toevluchtsoord voor bohemiens is het allang niet meer. Na een jarenlange, miljoenen dollars kostende renovatie is het Chelsea Hotel heropend als een hyper-luxueus boetiekhotel. De rauwe randjes zijn vakkundig rechtgetrokken, het historische rode baksteen is brandschoon gepolijst, de bovengenoemde kunstcollectie is gerestaureerd en de kamers zijn tegenwoordig ongetwijfeld het domein van Egyptisch katoen, pluche fluweel en marmeren sanitair.

Waar Patti en Robert destijds hun allerlaatste dollars bij elkaar schraapten voor de de wekelijkse huur, betaal je nu al snel 500 tot 600 dollar per nacht voor een standaardkamer. De suites aan de voorzijde lopen met gemak richting de 1000 dollar. Misschien is dat wel het ultieme New York-verhaal: de rauwe subcultuur en rebellie van gisteren is de peperduur gepolijste luxe van vandaag geworden. Gecultiveerde nostalgie voor de welgestelden. “La vraie vie est absente”. (Het echte leven is elders), schreef Patti’s grote idool Arthur Rimbaud ooit in de pocketbundel die zij hier destijds in haar jaszak droeg. Je zou bijna gaan geloven dat hij het over het Chelsea Hotel van nu had.

Maar toch… als ik na de brunch de lobby inloop om stiekem even rond te spieken, breekt de perfecte façade weer een beetje. Ik kijk omhoog langs de monumentale, zwart-gietijzeren wenteltrap, de spil van het gebouw waar Patti destijds door de gangen zwerf, hopend op een ontmoeting met de geest van Dylan Thomas. Achter de balie staat een manager die angstaanjagend veel weg heeft van de Nederlandse rockicoon Barry Hay. Een gitzwarte zonnebril op zijn neus die hij, naar zo lijkt het, zelfs in de matig verlichte lobby weigert af te zetten. Hij straalt toch echt een onvervalste ‘rock and roll’-vibe uit.

En op een pluche bankje met chic versleten kussens zit een meisje in kleermakerszit diep verzonken in M Train, het latere boek van Patti Smith. Ik kijk naar haar en glimlach. Misschien is de literaire en muzikale ziel van deze plek met al zijn geesten toch (nog) niet helemaal verdreven door het grote geld. Die ongrijpbare magie fladdert hier blijkbaar nog altijd ergens rond. De ziel van ‘Just Kids’ en consorten. Of wil ik dat simpelweg te graag geloven? Het zou zomaar kunnen, ik sluit het in ieder geval niet uit.

de vloek en de berusting
New York zal voor mij altijd zijn bijzondere status behouden. De stad heeft een unieke, ongrijpbare vibe die ik nog nergens anders ter wereld ben tegengekomen. Tegelijkertijd lijkt er een vreemde, melancholische vloek op te rusten: hoe vaak ik ook plannen maak om deze metropool te delen, uiteindelijk sta ik er telkens alleen.

Begrijp me niet verkeerd; ik kan uitstekend alleen reizen. Sterker nog, ik geniet intens van die autonomie. Maar New York is óók een stad die je wilt delen met de mensen die je lief zijn. Precies zes jaar geleden, in 2020, zou ik hier samen met Joris zijn. Alles was tot in de puntjes geregeld en geboekt als een grote verrassing voor zijn verjaardag, totdat COVID een dikke streep door het hele plan zette. En nog langer geleden boekte ik eens een spontane trip in een ultieme poging om samen te zijn met mijn toenmalige liefde, wat destijds op geen enkele manier mocht slagen.

Blijkbaar eist New York mij alleen op. Misschien is dit ook wel precies de energie die ik op dit moment nodig had om bij te tanken en na te denken. Stilstand te midden van de New Yorkse chaos. Wandelend onder een paraplu, terwijl de toppen van de wolkenkrabbers langzaam in de mist verdwijnen. Me verliezen in kunst en mijmeren over wat ik zie. Of denk te zien. De insomnia omarmen en ’s nachts naar de flikkerende lichtjes aan de overkant van het water kijken. Een tweede flat white bestellen omdat je alle tijd van de wereld hebt (oké, en omdat het pijpenstelen regent). Dat alles gaat nu eenmaal beter in je eentje.

55 uur in New York; het was precies wat ik nodig had. Nu alleen die slaapuren nog ergens zien te managen…



Plaats een reactie