vloeibaar terracotta en het vuur van Alekh

voorwoord
Gevloerd door een najaarsvirus en met de naweeën nog in mijn lijf, zet ik grof geschut in: Tulsi drops. Gecombineerd met gember, honing, citroen en de nodige paracetamol moet deze mix me weer op de been helpen. Ik ben er klaar mee en zit met de laptop op schoot om een nieuw voorraadje van die befaamde Indiase druppels op te snorren, precies het spul dat ik destijds in India kocht. De ene zoekterm leidt tot een andere, en voor ik het weet bots ik op recente nieuwsberichten over Odisha, waar de nasleep van cycloon Arnab voor een ravage zorgt. Dhenkanal, het district waar we twee jaar geleden waren, wordt genoemd als een van de zwaarst getroffen gebieden. Wegen weggespoeld, dorpen geïsoleerd en tienduizenden mensen geëvacueerd. Ik denk meteen aan het dorp waar Debjit ons toen mee naartoe nam, dat hij vanuit Kila Dalijoda ondersteunde. Het kan haast niet anders dan dat het daar nu ook flink mis is. Ik zoek op mijn telefoon naar wat foto’s en zie dat er nog altijd een verhaal in concept staat. Tja, daar heeft niemand iets aan natuurlijk…
Hierbij dus alsnog, met dank aan de Tulsi druppels.

30 december 2024

het geluid van de avondstilte
Aan het einde van de middag wandel ik over het terrein van Kila Dalijoda, het jachthuis uit 1931 dat overloopt van verhalen en historie. Direct voor het huis liggen twee grote visvijvers, met daarnaast nog twee bredere waterbekkens. Het is me zojuist met een geruststellende glimlach gelukt om de bewaker ervan te overtuigen dat ik echt niet zal verdwalen en het prima red in mijn eentje, al weet ik zeker dat hij me ergens vanachter de struiken nauwlettend in de peiling houdt.

Het lage zonlicht raakt het water en verandert de vijvers langzaam in vloeibaar terracotta. Aan de waterkant lopen brede stenen trappen geleidelijk af in de diepte. Overdag wordt hier volop geleefd en geboend. Eerst het lichaam, dan de felgekleurde lappen stof en vast ook de pannen van de vorige maaltijd, hoewel er in de wijde omtrek nauwelijks een huis te bekennen is. Nu daalt er een stilte neer die in India bijna onwerkelijk aandoet. Zeker buiten de gebaande paden verander je als westerling onmiddellijk in een bezienswaardigheid voor ongefilterde aandacht, waarbij iedereen een hand wil schudden, een praatje wil maken en natuurlijk een selfie wil maken.

Boven op ons gefabriceerde dakterras zit Joris verdiept in een dik boek, volmaakt gelukkig in zijn eigen cocon van rust. Beneden bij het water luister ik naar het aanzwellende concert van de krekels. Uit de richting van een onzichtbaar dorpje verderop klinkt door de bijna windstille avondlucht het getinkel van een altaarbel. Het is het vaste ritueel bij een klein huisaltaar. Het vallen van de duisternis wordt ingeluid en het geluid van het brons trekt de aandacht van het hogere, terwijl het aardse even wordt buitengesloten. Misschien worden de godenbeelden dadelijk wel symbolisch toegedekt met een mooi katoenen doekje, zodat ze ongestoord de nacht kunnen doorbrengen. Het voelt als stilte, maar eigenlijk hoor ik heel veel.

waar zelfs de apen wijselijk zwijgen
Tussen de verhalen van Debjit door trekken we het binnenland van Odisha in, op zoek naar de Diamond Triangle: Lalitgiri, Udayagiri en Ratnagiri. Ik weet het, diamond triangle, dat klinkt verdacht veel als een vondst van een overijverig toeristenbureau, maar de wortels gaan duizend jaar terug. De naam komt rechtstreeks van het Vajrayana-boeddhisme, het Diamanten Voertuig.

Waar de vroege boeddhistische scholen uitgingen van een tergend langzaam pad van talloze levens vol verzaking om ooit verlichting te bereiken, beloofde deze tantrische stroming een kortere weg. Scherp, helder en onverwoestbaar als een diamant, en zo direct als een blikseminslag, wat de dubbele betekenis is van het Sanskrietwoord vajra. Tussen de achtste en twaalfde eeuw was deze streek het intellectuele epicentrum van die mysterieuze stroming, vol geheime mantra’s, complexe mandala’s en beelden van meerarmige, soms angstaanjagende godheden die je diepste driften en angsten moesten bezweren.

Wanneer we over het heuvelplateau van Ratnagiri lopen, tussen de vroegere kloostercellen, stoepa’s en metershoge boeddhabeelden, is die grandeur nog altijd tastbaar. Natuurlijk zijn de duizenden monniken en geleerden die hier ooit filosofeerden allang verdwenen, en lopen wij er nu rond met slechts een fractie van hun kennis. We verbazen ons over de groenblauwe glans van het chlorietgesteente dat de monumentale poort vormt. De omlijsting is met een verbluffende precisie gebeiteld. De bloemen en hemelse wezens lijken bijna zacht te worden in het harde gesteente. Duizend jaar regen, wind en hitte hebben de ragfijne lijnen amper kunnen deren. Ik blijf er vanzelf met mijn vingers langsgaan om die details te voelen.

Aan de linkerzijde waakt riviergodin Yamuna op haar schildpad, waardig en onaangetast door de eeuwen heen. Midden op de binnenplaats ligt een reusachtig stenen boeddhahoofd. Met zware oogleden en lange oorlellen staart het vredig naar de open hemel. Verderop, in het halfduister van het centrale heiligdom, zit een kolossale stenen Boeddha, bijna verstopt voor de buitenwereld. Er zijn nauwelijks andere mensen. Geen bussen, geen souvenirverkopers, enkel de droge decemberwind die door de nu lege monnikencellen waait.

Een hardnekkig gerucht wil dat Kipling door deze streek van Odisha zwierf voordat hij zijn beroemde oerwoudverhalen schreef. Als kind was Jungle Book veruit mijn favoriete tekenfilm, en stiekem had ik half verwacht hier tussen de overwoekerde stenen een soort koning Lowie aan te treffen die met zijn luidruchtige bende de boel op stelten zette. Maar zelfs het plaatselijke apenvolk heeft blijkbaar besloten dat het tantrische pad van het Diamanten Voertuig iets te hoog gegrepen is. Ze laten de gewijde stilte van de ruïnes wijselijk met rust.

het vuur van Alekh
Op onze laatste dag bij Debjit en Namrata, tevens de voorlaatste dag van het jaar, brengt Debjit ons naar de Joranda tempel. Terwijl thuis in Nederland de oliebollen worden gebakken en de wereld zich opmaakt voor champagne en vuurwerk, staan wij aan de rand van een zanderig plein in een volkomen andere werkelijkheid.

Joranda Gadi is het spirituele hart van de Mahima Dharma. Deze negentiende-eeuwse stroming keerde zich radicaal af van het kastenstelsel en de beeldenverering van de traditionele priesters. Zij aanbidden uitsluitend Alekh Brahma, het vormloze en ondeelbare absolute. Hier vind je dus ook geen godenbeelden, geen wierook en geen schalen met voedseloffers, enkel een eeuwig vuur.

Als het daglicht verdwijnt, verzamelen de monniken zich op het plein. Het is meteen duidelijk dat deze mannen afstand hebben gedaan van elk werelds comfort. De meesten dragen enkel een eenvoudige lendendoek, bijeengehouden door een koord, vergezeld van een strak om het hoofd gewikkelde zwarte tulband. Zij voeden de vlammen met houtblokken en lepels zuivere ghee, terwijl ze zich herhaaldelijk ter aarde werpen in diepe prostraties naar het westen. Hun bezwerende roep om Alekh klinkt rauw en zonder enige opsmuk over het terrein. Enkele vrouwen, die duidelijk actievere deelnemers zijn dan wij, zingen en roepen luidkeels mee. We kijken op eerbiedige afstand toe, ik met iets meer schroom dan Joris, terwijl we ons verbazen over een wereld waar we eigenlijk nog zo weinig van afweten. De monniken veranderen langzaam in donkere schimmen, hun silhouetten ritmisch buigend naar het stof en het contrast met thuis kan op deze dertigste december haast niet groter zijn. Geen oorverdovend knalvuurwerk, maar een geconcentreerd vuur dat stilletjes de leegte verlicht voor een god zonder gezicht of beeltenis.

nawoord
Ik zit nog steeds op de bank in Rotterdam. Knieën opgetrokken, een zachte dikke trui aan, een warme kop thee onder handbereik. Op mijn scherm knippert nog altijd het openstaande tabblad van de online drogist. Tulsi drops, dat was het oorspronkelijke plan. Je kunt maar afgeleid zijn, het is het bekende verhaal van mijn leven.
Maar tussen de bestelling van een flesje heilige basilicum en de nuchtere Hollandse werkelijkheid door, was ik nu toch maar mooi weer even terug in India. Nadenkend over dat eeuwige vuur in Joranda, denkend aan Debjit en Namrata, aan de wilde olifanten die daar af en toe zomaar het pad kruisten, en aan de mensen in de dorpen die al zo weinig hadden en nu opnieuw moeten opboksen tegen het water.

Ik hoop dat de rivieren in Odisha snel zakken en het leven daar zijn rustige ritme weer hervindt.

Geef een reactie