
Mijn tijdelijke thuisbasis werd Levanto, een kustplaats net ten noorden van het befaamde Cinque Terre. Een absolute schot in de roos. Waar de vijf beroemde buren haast lijken te verstikken onder hun eigen schoonheid, ademt Levanto nog (enigszins..) de rust van een meer authentieke gemeenschap met een rijke historie. Neem de 13e-eeuwse Chiesa di Sant’Andrea: met haar karakteristieke zwart-wit gestreepte gevel, opgebouwd uit lokaal groen serpentiniet en smetteloos wit Carrara-marmer, herinnert ze eraan dat dit stadje ooit een machtige, onafhankelijke maritieme haven was. Zeker wanneer de late middagzon de pastelkleurige gevels verandert in een warm palet van terracotta en de groene luiken opgloeien, is het heerlijk slenteren door de smalle caruggi. Me, myself and I, en dat was eerlijk gezegd een fijne combinatie.
Tijdens de tweede koffie gaf ik mezelf de taak om een wandelroute voor de dag uit te stippelen, en wát een keuze! Het wandelen in deze regio is van een heel andere orde. En ja, de officiële kustpaden van Cinque Terre zijn mooi en fotogeniek, maar ze zijn ook druk en ik leer al snel dat de echte magie hogerop ligt. Op de oude ezelspaden die de dorpen al eeuwenlang met elkaar verbinden.
Een mooi voorbeeld is de klim naar Punta Mesco, de ruige kaap die Levanto scheidt van Monterosso. Daar, op een winderige rotspunt driehonderd meter boven de golven, stuit je op de overblijfselen van de Eremo di Sant’Antonio del Mesco. De stenen bogen van dit 14e-eeuwse augustijnenklooster staan er inmiddels dakloos bij, overgeleverd aan de elementen. Wat ooit een plek was voor kluizenaars die de stilte zochten biedt nu het ultieme vergezicht: in één adembenemende blik zie je vanaf hier alle vijf de dorpen van Cinque Terre liggen. Als pastelkleurige mozaïeksteentjes vastgeklampt aan de steile rotswanden.
Onderweg passeer ik eenzame kapellen. Uiteraard steevast boven op een berg gebouwd, want hoe dichter bij de hemel, hoe sneller het gebed… Maar ook zie ik onderweg de littekens en de sporen van de verwoestende modderstromen die dit gebied teisterden. Idyllische landschap, en tegelijkertijd grillig en kwetsbaar.
Na een paar uur klauteren daal ik dan weer af, richting een van de dorpjes. De siësta is hier nog altijd heilig, in de minder toeristische plekken liggen de pleintjes er ’s middags soms spookachtig verlaten bij. Maar daar waar de toeristen zijn, daar kun je altijd terecht. En heel eerlijk, ook dat is fijn. Zeker omdat ik me slecht kan houden aan de standaard tijden. ’s Avonds, terug in Levanto, serveert de kok van mijn favoriete trattoria me zijn favorieten. Flinterdunne focaccia met romige stracchino, gefrituurde ansjovis met citroen, kersverse zeebaars, een met bergkruiden gevulde pasta in een walnotensaus, trofie al pesto… De laatste avond geeft hij me zelfgebakken canestrelli, te dopen in een glaasje Sciacchetrà. Hardloopschoenen vergeten, calorieën vergeten. Eat, pray, love bleek ineens toch heel eenvoudig (en gevaarlijk).
Als ik nu, veertien jaar later, terugblik op deze trip, krijgt de herinnering een bijzonder randje. Het blijkt achteraf een scharnierpunt in de tijd te zijn geweest. Slechts tien dagen na mijn vertrek vond er een zware rotsverschuiving plaats, nog geen jaar na de verwoestende modderstromen die Vernazza en Monterosso al Mare zo zwaar troffen.
De Via dell’Amore tussen Riomaggiore en Manarola stortte deels in en bleef uiteindelijk meer dan twaalf jaar gesloten. Pas recent is het pad na een kostbare restauratie weer heropend. En vond ik het destijds al levendig in de dorpen? Tegenwoordig worden de smalle straatjes op piekmomenten overspoeld door dagjesmensen van cruiseschepen, zijn er verhitte discussies én de eerste concrete tijdsloten en bezoekersquota ingevoerd.
Toch weet ik zeker dat wanneer je het een beetje slim aanpakt, de magie niet is verdwenen. De oude ezelspaden hoog boven de zee liggen er nog net zo idyllisch bij als toen. Je moet alleen bereid zijn om net iets hoger te klimmen dan de gemiddelde toerist. Nun ik eraan terugdenk, ruik ik nog steeds die vreemde combinatie van de Ligurische kust: de geur van dennennaalden, gemengd met het zout van de zee. De kunst van het genieten.. La dolce vita, bella Italia!